Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontvangenis uit den H. Geest, Luk. 1 : 35, en bij den doop door Johannes, Mt. 3 :16, Mk. 1 :10, Luk. 3 : 22, Jok. 1: 32. En even reëel als zijne zalving, van welke die onder het O. T. slechts schaduw was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger zin koning dan David en Salomo. Want tot de idee van den theocratischen koning behoorde, dat hij een man naar Gods hart moest wezen en niet als een despoot boven zijne broederen zich verheften mocht, Deut. 17:14—20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich niet, en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning, die, zelf gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren zou door waarheid en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning treedt Christus op: Hij sticht een rijk Gods, dat thans alleen nog geestelijk en zedelijk bestaat, maar bestemd is, om eenmaal ook uitwendig en lichamelijk zich te openbaren in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap ook het profetisch en priesterlijk ambt in.

382. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar, omdat het eene van het andere niet te onderscheiden is *). Inderdaad is ook geene enkele werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken. Zijne woorden zijn eene verkondiging van wet en Evangelie, en wijzen alzoo op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles gehoorzaamt zijn bevel, Mk. 1:22, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf noemt Hij zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven, Joh. 18:37. Zijne wonderen zijn teekenen zijner leer, Joh. 2:11, 10:37 enz., maar ook openbaring van zijne priesterlijke barmhartigheid, Mt. 8 :17, en van zijne koninklijke macht, Mt. 9:6, 8, 21:23. In zijne voorbede komt niet alleen zijn hoogepriesterlijk, maar ook zijn profetisch en koninklijk ambt uit, Joh. 17 :2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis en voorbeeld,

, \ roeger reeds bij de Socinianen, Ernesti, Doederlein enz. en in den nieuweren tijd bij Ritschl, Rechtf. u. Vers. I- 520 v. IIP 386 y. Lobstein, Revue de théol. et de philos. 1892. Frank, Christl. Wahrheit II- 158. 202. Kaftan, Dogm. bl. 486. 531. Haring, Der Christl. Gl. bl. 385 v.

Geref. Dogmatiek III.

Sluiten