Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand om te regeeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde, die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was niet alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis; maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid, en voorts nog ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zoowel als Zoon en beeld Gods voor zichzelven als ook als middelaar en zaligmaker voor ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid Gods te kennen en te openbaren; priester om zich Gode te wijden en in onze plaats zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons te regeeren en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden; discere, acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing; waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkom ene zaligheid noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot ons; priester in zijne verhouding van ons tot God; koning in zijne verhouding als hoofd tot de menschheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk ambt. Maar de Schrift kent Hem steeds en tegelijk alle drie ambten toe, en beschrijft Hem als onzen hoogsten profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning. Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard, maar door zijn "Woord en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is almachtig door zijne liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en in zijne koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid 1).

383. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche

*) Witsius, Exerc. 10 in Symb. Amesius, Med. Theol. I 19. 11. Leydecker, de verit. Rel. Ref. IV 9, 13. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. Biedermann, Christl. Dogm. II2 235 v. Dorner, Christl. Gl. II 481 v. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2 bl. 5 v. Ebrard, Dogm. § 399. Kcihler, Wiss. der Christl. Lehre 3 bl. 347. A. von Oeftingen, Luth. Dogm. III 177 v. Karl Muller, Jesu Christi dreifaches Amt. PRE 3 VIII 733—741. Hodge, Syst. Theol. II 459 v. Shedd, Dogm. Theol. II 353 v. Kuyper, Heraut 509 v.

Sluiten