Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het standpunt der wet, vatte de verhouding van den mensch tot God als rechtsverhouding op; het Farizeïsme dreef dit op de spits en Paulus bediende zich nog van dit farizeesch spraakgebruik en hield de farizeesche combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon in zijn denken aan. Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid der wet niet af uit des menschen zondigheid, doch uit de natuur der wet zelve, die niet dient om leven te geven, maar om de zonde te vermeerderen. De Christelijke religie vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion op, als genade, vergeving, geloof. En dat is zij inderdaad. Zij is enkel religieus-ethisch, heeft geen kosmische, juridische, metaphysische bestanddeelen meer, zij is enkel heilsleer; en al het andere, de leer van God, den mensch, de zonde, de wereld enz., moet van uit dit standpunt, christologisch en soteriologisch, herzien en omgewerkt worden. De staat is de sfeer des rechts, maar religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar 1).

Heel deze tegenstelling is echter valsch en is in de Christelijke theologie altijd als Marcionitisch verworpen. Ten eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid en genade (liefde) in God eene tegenstelling zouden zijn; niet alleen kent heel de Schrift aan God ook de deugden van gerechtigheid, heiligheid, toorn en haat tegen de zonde toe a), maar de genade onderstelt zelfs de gerechtigheid in God en is zonder haar niet te handhaven. Immers, genade is die deugd in God, waardoor Hij om eene of andere reden van zijn recht afstand doet; indien Hij alzoo niet als de rechtvaardige en heilige recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen sprake zijn. Evenzoo is de hoogste liefde in God, d. i. de vergevende liefde, die in Christus is geopenbaard, geene liefde meer, indien de zonde naar Gods rechtvaardig oordeel geene straf verdiende. Wie het recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede vormen recht en religie (zedelijkheid) volstrekt geene tegenstelling. Godsdienst en zedelijkheid zijn zelve een recht, dat God op ons heeft; Hij eischt in zijne wet, dat de mensch Hem liefhebbe boven alles en den naaste als zichzelven. Daarmede worden godsdienst en zedelijkheid niet verlaagd of veruitwendigd, maar integendeel

J) Verg. voorde Socinianen boven bl. 376 v. en voorts Wegscheider, § 142. Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 181. Scholten, L. H. K. II 46 v., 57 v. Schweizer, GI. der ev. ref. K. § 63 v. Christl. Giaub. § 94 v. Pfieiderer, Paulinismus 2 86—110, 150—159. Holtzmann, Neutest. Theol. II108 v. Ritschl, Eechtf. u. Vera III2 8—14, 223—265. Kaftan, Dogm. 544 v. v. Sartmann, Keligionsphilos. I 546 v.

2) Verg. deel II 211—227.

Sluiten