Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven en werk van Christus op als één geheel, en maakt nooit scheiding tusschen eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene obedientia mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh.

4 : 34, 17 : 4, 19 : 30. Zijn dienen voltooit zich in het geven zijner ziel tot een losprijs voor velen, Mt. 20:28. Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijne gansche, maar de voleindiging zijner gehoorzaamheid. Hij_is geworden onder de wet, G-al. 4:4, in gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8:3, heeft niet geleefd ten gevalle van zichzelven, oi~/_ ia vim rjQsffsv, Rom. 15 : 3, heeft bij de menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden tot den dood toe, fitxqi tha urov, Phil. 2 : 7, 8, 2 Cor. 8: 9, en zoo is het één hxawfta eu ééne vnaxorh die aan velen de óixcticoaig Zcorj? schenkt, Rom.

5 :18, 19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd, om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of zelfs zooals Jac. Alting deed x), tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Het beroep op plaatsen als Zach. 3 . 9, Joh. 19 : 30, Rom. 6 :10, Hebr. 7 ; 27, 1 Petr. 3 :18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout, geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van Christus is opgenomen, saamgevat en voltooid 2). Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter nog niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen ; maar zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne heilige werken, zijn in het ééne werk van Christus begrepen 3).

?) Jac. Alting, Op V 393—395; verg. echter bl. 478—480.

2) De Moor, Comm. III 985 v. M. Yitringa, Doctr. VI 102 v. Mastricht, Theol. V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. Sacra II 771. Maresius, Syst. Theol. IX 46. Examen v. h. Ontw. v. Tol. X 467—471.

®) Lombardus, Sent. III dist. 18, 2. Heidelb. Catech. vr. 36 en 60. Nederl. Gel. art. 22. Over de woorden in dit artikel: et tot sancta ejus opera, quae pro nobis fecit, rees verschil op de Synode te Dordrecht, sess. 172. 173. Behalve anderen, helden ook Bogerman en Lubbertus over tot het gevoelen van Piscator, verg. H. H. Kuyper, De Postacta 1899 bl. 338 v. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Yergl. Darst. I 91. 122 v. Bitschl, Rechtf. u. Vers. 1 2 287.

Geref. Dogmatiek III. 07

Sluiten