Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijden en sterven van Christus geheel onverklaard blijven. De Groninger godgeleerden hier te lande drukten zich zeer sterk uit, als zij zeiden, dat de dood van Christus eene zaak was, door de menschen gedaan, door Jezus geleden, en door G-od toegelaten, en dat daarom het moeten, waarvan in Mt. 16:21, Mk. 8: 31, Luk. 9 :22 sprake is, in zedelijken zin moest worden verstaan 1). Maar eigenlijk komt daarop de gedachte der nieuwere theologen neer; er moge voor Christus eene psychologische en historische noodzakelijkheid hebben bestaan, om te lijden en te sterven, voor eene metaphysische noodzakelijkheid blijft er geene plaats over. Zij bestrijden het allen zoo sterk mogelijk, dat de dood van Christus door Gods gerechtigheid werd geeischt. Maar zulk eene voorstelling, volgens welke het lijden en sterven van Christus in hoogeren zin toevallig wordt, ziet zich door de H. Schrift ten volle geoordeeld. Deze toch verklaart uitdrukkelijk, dat het lijden van Christus te voren bepaald, eeuwen lang voorzegd, en ter openbaring van Gods gerechtigheid noodzakelijk was, Luk. 24 : 26, Rom. 3 : 25, 26, 1 Petr. 1:11.

Wel trachten velen daartegenover aan te toonen, dat Jezus eerst blijde en met groote verwachtingen onder zijn volk optrad, en de noodzakelijkheid van zijn dood eerst inzag sedert den dag, waarop Petrus Hem in de landpalen van Cesarea Philippi als den Christus beleed, Mt. 16:20v. 2). Maar Kahler noemt dit terecht eene sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden afaan bezat; de naam Menschenzoon, dien Hij met klare bewustheid en met eene bepaalde bedoeling zich toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja's profetie, Luk. 4 :21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijne discipelen zou weggenomen worden, Mk. 2 : 20 ; de vergelijking van zichzelven bij Jona, Mt. 12:40, en bij de slang in de woestijn, Joh. 3:14; de prediking van het koninkrijk der hemelen in een gansch anderen zin dan het door de Joden werd verwacht, en de bewustheid, dat het burgerschap in dat koninkrijk geloof en bekeering, zelfverloochening en kruisdragen eischte, en den haat, de vijandschap en de vervolging der wereld uitlokken zoude, Mt. 5 : lOv. 10 : 16v. 12 : 25.; dit alles bewijst, dat lijden en sterven van den beginne af voor Jezus vaststonden als het einde van zijn leven. De profetie, vooral

:) 1'areciu et H. de Groot, Lineam. theol. Christ. ed. 3 bl 153. Hofstede de Groot, De Groninger Godg. bl. 181.

2) Holtzmann, Neut. Theol. I 284—295.

Sluiten