Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Jesaja in hoofdst. 53, stond steeds voor zijn geest, Luk. 4:21, 18:31, 22:37, 24:26, 46, en onderwees Hem aangaande zijn uitgang '). De dag van Cesarea Philippi bracht alleen deze verandering dat Jezus, nu de apostelen langzamerhand tot de vaste overtuiging van zijne Messianiteit gekomen waren, hun ook openlijk verkondigde, dat Hij de Christus was, maar daarom ook overgeleverd zou worden aan de handen der zondaren, om ten derden dage weder op te s*:a^rl! Mt. 16: 21v. En Hij zegt er uitdrukkelijk bij, dat dit alzoo moest geschieden, niet omdat Hij zedelijk verplicht was, om te sterven, of zoo alleen trouw aan zijne roeping kon blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en zelfs opgewekt te worden, bestaat niet; maar wijl het alzoo in Gods raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Mt. 16:21, 26:54, Luk. 22:22, 24:26, 44 : 46, Joh. 3 :14, 7 : 30, 8 : 20, 10 :18, 11: 9, 12 : 23, 13 :1, 17 :1, 20 . 9, 1 Petr. 1:20. Het moeten is in dien raad gegrond ; er is eene ure voor zijn lijden en sterven, voor zijne opstanding en verheerlijking bepaald "). Van den beginne aan stond het daarom in de prediking der apostelen vast, dat Christus gestorven, begraven en opgewekt was naar de Schriften, 1 Cor. 15 :3. Zij zagen in den dood van Christus eene groote misdaad van de zijde der Joden, die daardoor Hem trachtten te vernietigen en uit te roeien ; maar God heeft hunne pogingen verijdeld, Hem uit de dooden opgewekt, en Hem tot eenen Heere en Christus, tot een Vorst en Zaligmaker aangesteld, Hd. 2 : 22—36, 3 :13—15, 5: 30, 31. En dat niet alleen, maar die dood zelf was een bestanddeel van het Messiaansche werk, en tevoren in Gods raad bepaald, Hd. 2 : 23, 3 :18, 4 : 28. Deze gestorven en opgewekte Christus is daarom de eenige naam, onder den hemel gegeven tot zaligheid, Hd. 4:12.

De beide teksten, Mt. 26 : 39, 42 en Hebr. 5 : 7 weerspreken deze noodzakelijkheid van Jezus' sterven niet3). Volgens laatstgenoemde plaats bad Christus niet om bevrijding van den dood, alsof Hij dezen niet als noodzakelijk erkend had ; want er staat duidelijk,

1) Nösgen, Gesch. den neut. Offenbarung I 1891 bl. 395 y. Kahler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 1898 bl. 159 v.

2) Scholten, L. H. K. II 45.

3) Zooals bijv. Ménégoz, La mort de Jésus et le dogme de 1'expiation bl. 26 beweert; hij zegt zelfs: Jésus a si peu pensé que sa mort fut absolument nécessaire pour sauver 1' humanité que, jusqu' a la dernière minute, il a espéré y échapper. II faut toute 1'épaisseur du préjugé traditionnel pour ne pas voir un fait aussi éclatant.

Sluiten