Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4:5). Aan al deze uitdrukkingen ligt de gedachte ten grondslag, dat de mensch van nature zich in de gevangenschap of slavernij der zonde bevindt en dat hij daaruit alleen door den duren losprijs van het bloed van Christus bevrijd is. De offerande van Christus is dus tegelijk een losprijs; in het Oude Testament wordt het substantief leb nog wel nooit rechtstreeks op de zoenoffers toegepast, maar de verbinding van beide begrippen is toch niet ver te zoeken, het zoenoffer was feitelijk een losprijs voor het leven van den offeraar, en het zelfstandig naamwoord -eb behoorde tot denzelfden stam als het werkwoord "z, dat in den offercultus voor verzoenen gebruikelijk was 1). Als Jezus dus van zijn dood als een losprijs sprak, kon dit bij de discipelen geene andere gedachte wekken en heeft dit ook blijkens hunne brieven geene andere gedachte gewekt, dan dat die dood hen loskoopen zou uit de gevangenschap der zonde en des doods; te meer, omdat Jezus zelf hen geleerd had, dat de ziel van een mensch zoo groote waarde heeft, dat hij, haar verliezende, geen uvTctXXayfia, geen losprijs, vergoeding of aequivalent, voor haar geven kan, Mt. 16 : 26, Mk. 8 : 37, verg. Ps. 49 : 8. Nu geeft echter Jezus zelf in zijn dood een losprijs voor of in de plaats van velen, uvzi noXkwv, die dit zelf niet konden doen, en die daarom de loskooping van hunne ziel, de redding van hun leven, alleen aan den dood van Christus te danken hebben. Wijl /vtqov dus de beteekenis van losprijs heeft, zijn de woorden cérxi TTo/.kon' niet, zooals Ritsch] wil, met het subject, fjX-9-ev óovvai, maar met het object Xvtqov te verbinden, want anders zou geheel de persoon of zaak ontbreken, waarvoor de losprijs werd betaald. En onder de velen zijn dan de deelgenooten van dat verbond der genade te verstaan, hetwelk Jezus volgens zijn eigen getuigenis in zijn bloed heeft bevestigd en dat daardoor het voornaamste goed, n.1. de vergeving der zonden, tot inhoud heeft, Mt. 26 :28 2).

Eindelijk komt als bewijs voor de satisfactio vicaria heel de leer des Nieuwen Testaments over de offerande van Christus in aanmerking. De praeposities, die het verband van die offerande tot ons en onze zonden aanduiden, vttsq, ttsol, óia 3), beteekenen op

Soltzmann, Neut. Theol. I 67. Orr, in Hastings' Dict. of Christ II 469.

-) Over Mk. 10 : 45: Ritsckl, Rechtf. u. Vers. II2 68 v. Holtzmann, Neut. Theol. I 292 v. Cremer, Wörterbuch s. v. Xvtqov. Orr, art. Ransom in Hastings' Dict. of Christ II 468.

*) Verg. boven blz. 365 v. Over vttsq : Holwerda, Jaarb. v. wet. Theol. 1862. bl. 521 v. Over óia: Ad. Schettler, Die paulin. Formel »Durch Christus" unter-

Sluiten