Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zijn maar daden van het vleesch, van den ouden mensch 1). In lateren tijd zijn deze gevoelens nu en dan vernieuwd door de Methodisten 2), door de Irvingianen 3), en door sommige volgelingen van Kohlbrugge 4). Maar de Schrift leert zoo beslist en duidelijk mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden 6); en de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh. 1: 14, Rom. 8: 3, Hebr. 2 :14, spreken alleen uit, dat de Zone G-ods eene zwakke, aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, doch niet, dat Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige theologen, zooals Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3 : 13, hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in objectieven zin, zooals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5 : 21, Gal. 3 :13, cf. Jes. 53 :12. Daarmede geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der wet en haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging, belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen 6);

Hulsius, De hedendaagsche Antinomianerij, 2e dr. 1738 bi. 377 v. Hoornbeek^ Summa Controv. 1653 bl. 704. Witsius, Misc. Sacra II 758—780.

2) Schneckenburger, Vorles. über die kleineren protest. Parteien, bl. 146.

3) Köstlin, art. Irving in PRE 2 VII 154, cf. Kolde in PRE 3.

4) Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum. Basel 1874. Böhl, Von der Incarnation des göttl. Wortes 1884. Id., Dogmatik bl. 299v. Verg. daartegen Knyper, De vleesch wording des Woords. Amst. 1887. Inleiding en bl. 155 v. Over Kohlbrugge zie men de dissertatie van Dr. J. van Lonkhuyzen, bl. 406 v. en boven bladz. 384.

6) Boven bladz. 432 v.

6) Daarom is het ook onjuist, om met M°. Leod Campbell en Moberly het lijden en sterven van Christus op te vatten als een vicarious repentance, als een sacrifice of supreme penitence. Er ligt natuurlijk wel deze waarheid in, dat Christus in zijn lijden en sterven de schrikkelijkheid der zonde erkende en de rechtvaardigheid van Gods oordeel over haar beleed, maar dit kan toch moeilijk met den naam van berouw worden aangeduid. Want berouw onderstelt altijd persoonlijke overtreding en schuld. Voorts is berouw (bekeering, geloof) wel de weg, waarin de vergeving alleen door ons ontvangen en genoten kan worden, maar niet de oorzaak, waaruit, noch ook de grond, waarop zij ons geschonken kan worden. De theorie komt dan ten slotte ook hierop neer, dat Christus, «berouw" hebbende over onze zonden, door zijn voorbeeld, invloed of Geest in ons berouw verwekt en zoo den weg opent, waarin wij vergeving kunnen ontvangen. De objectieve voldoening verandert daarmede in eene subjectieve verzoening. Verg. boven bl. 391 v. 409. 421.

Sluiten