Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen te kunnen dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tusschen Christus en de zijnen, is niet in pantheïstischphysischen of mystischen zin te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig in die verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij tot haar stonden door onze overtreding.

In de tweede plaats brengt het plaatsvervangende van Christus' gehoorzaamheid vanzelf ook mede, dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan den eisch der wet. Deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie echter anders opgevat, dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mensch of een engel voor onze zonden had kunnen voldoen, indien God het goedgevonden had, want tantum valet omne creatum oblatum, pro quanto Deus acceptat illud et non plus 1). En evenzoo leerden later de Remonstranten, dat niet de justitia Dei, maar alleen de aequitas eenige voldoening vorderde, en dat meritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem persolutum est 2). Vlak daartegenover noemde Thomas de passio Christi niet alleen sufficiens sed superabundans satisfactio pro peccatis humani generis3). Zelfs werd de vraag behandeld, of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening ware voldoende geweest 4). Heel deze beschouwing zoowel

) Duns Scotus, Sent. dist. III dist. 20 qu. un. n. 9, verg. dist. 19 qu. un. n. 7. Zoo ook Biel, Durandus en in het algemeen de nominalisten.

2) Limborch, Theol. Christ. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episcopius, Inst. Theol, IV sect. 5 c. 3.

*) Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 2. Verg. Cat. Rom. I 5 qu. 13, 2. Theol.

1T irceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars III tom. 2 bl. 206 226.

Scheeben, Dogm. III 206 v. 343 v. Pesch, Prael. dogm. IV 208 v.

) De kerkvaders drukten ,de waarde van Christus1 offerande soms in sterke bewoordingen uit. Zoo zeide Chrysostomus, dat Christus meer gaf, dan wij schuldig waren, tantoque plura, quanto guttulam exiguam pelagus excedit iinmensus, Cyrillus Hier. schreef: non tanta peccantium iniquitas, quanta ejus, qui nostri gratia moriebatur, justitia; non tantum pëccavimus, quantum ille excelluit, qui pro nobis animam posuit; Proclus, patriarch van Constantinopel, leerde, dat Christus non solum adaequatam cum reorum multitudine dignitatem et aestimationem habet, sed ex omnium calculis sententiisque majorem. In dien geest sprak Anselmus bij Christus' dood van een pretium majus omni debito, en verklaarde Clemens VI in zijne bul Unigenitus, dat, als Christus slechts gutta sanguinis modica had gestort, deze propter unionem ad Verbum

Sluiten