Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene uitwendige, quantitatieve berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus, als de superabundantie van Thomas verwierp ^ dat zij m het w'erk van Christus naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de offerande van Christus wel aequivalent, maar niet identisch noemde met wat wij verplicht waren te lijden en te doen; dat zij haar voor volkomen sufficiënt hield, zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche wijze eene aanvulling door ons geloof en onze goede werken bij noodig was; en dat met name de Gereformeerden zeiden, dat Christus' werk in zichzelf volkomen voldoende was tot verzoening van de zonden der gansche wereld, zoodat het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer kon wezen, en indien Hij een grooter getal of alle menschen had willen behouden, niet grooter had behoeven te zijn.

Zonden zijn ook inderdaad geene geldschulden, en de voldoening is geene rekensom. De overdraging onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch toegegaan, dat deze eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zoo op Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus heeft ook niet alle menschelijke leeftijden doorloopen, noch ook daarm afzonderlijk voor de zonden van eiken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus 2) en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet precies hetzelfde, idem 3), geleden als wij noch op dezelfde wijze; want schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als verlating

door God, geleden 4).

pro redemptione totius humani generis suffecisset, cf. Theol. Wirceb., ï\ 318. Scheeben., Dogm. III 344. Pesch, Prael. Dogm. IV 211. Jansen, Theol. dogm. II 739 enz. verg. ook Quenstedt, Theol. III 327. Bomer, Entw. 11843.

1) Voetius, Disp. II 247. Mastricht, Theol. V 18, 38. De Moor, Comm. III1084. Alting, Theol. probl. pr. 41.

2) Jrenaeus, adv. haer. II 22, 4.

3) Enkelen hielden aan het idem vast, en vonden het tantundem te zwak. Owen bijv. zeide, that the punishment which our Saviour underwent was the same that the law required of us; God relaxing His law as to the persons Buffering, but not as to the penalty suffered. W. Cunningham, Historical Theology II 306.

4) Thomas, S. Theol. III qu. 46 art. 4. qu. 48 art. 2. Calvyn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V 12, 9. 21. De Moor, Comm. IV 122—133. Witsius, Misc.

Sluiten