Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hetzelfde is het geval met de tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd door „Schuld und Sühne", maar meermalen alleen door „Leidenschaft und Leid" is weer te geven. De dood van den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke verzoening voor begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door eene of andere vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons ten slotte verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zoo opgevat, "verkondigt de tragedie eene groote waarheid: al het menschelijk groote wandelt langs afgronden van schuld, en bevrediging is er eerst dan, als het edele en groote, dat door eene of andere oorzaak op een dwaalweg is geraakt, in den dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes, Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz., verzoent ons met hen en met hun geslacht; alle menschlichen G-ebrechen sühnet reine Menschlichheit (G-oethe) 1). En zoo is het ook dikwerf in de historie: de laatste, edele Constanten is, strijdende en stervende voor zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen der Byzantijnsche keizers, en de in vergelijking met zijne voorgangers onschuldige Lodewijk XVI boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie der familiën en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke voorbeelden leveren. In het de mortuis nil nisi bene (niet bonum, maar bene) eeren wij allen de verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De graankorrel moet sterven, om vrucht te dragen. "Wat de een heeft gezaaid, wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart, en soms stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken, strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van de met inspanning verworven schatten der voorgeslachten. De edelste goederen der menschheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter; hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als mede-lijden, avfinaO-sia; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om, in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van zijn zoon.

Papyri. Leipzig Teubner 1906 bl. 1 v. 7 v. Deissmann, Licht vom Osten. Tübingen 1908 bl. 241.

W. Wundt, Volkerpsychologie II Mythus und Religion I Leipzig 1905 bl. 517 v.

Sluiten