Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

on één met Hem is. En evenals wij b.v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij met onze hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft, wijl Hij één met ons is '). Deze lealistisch-mystiche opvatting van Christus' plaatsvervanging is op zichzelve volkomen juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de geloovigen toch zijn zeiven met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6—8, Gal. 2 : 20, Ef. 2 : 6, Col. 2 :11, 8:3 enz 2). Wijl Christus niet alleen verzoener, maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der zonde moest wegnemen, maar ook subjectief de macht der zonde moest breken, vormt deze mystieke unie van Christus «n de geloovigen in het werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen Christus en de zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6—8 volgt op Rom. 3—5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij den grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het pantheïsme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd laat b.v. de toerekening van Christus' gerechtigheid reeds afhangen van wedergeboorte en geloof 8). Dan alleen is deze mystieke unie in haar Schriftuurlijke beteekenis tegelijk met de objectieve verzoening van Christus' offerande te handhaven, wanneer Christus allereerst als hoofd des verbonds wordt beschouwd en in foederalistischen, legalen zin voor de zijnen in de plaats is getreden.

Het verbond der genade gaat n.1. aan den persoon en de offerande van Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet, nadat Christus zijn werk heeft volbracht, met den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond. Hij is er de borg en de middelaar van, Hebr. 7 . 22, 8 . 6, 12 . 24; zijn bloed is bondsbloed en daarom verzoenend, Mt. 26: 2b. Ja meer nog, het verbond der genade is niet eerst opgericht in den tijd, doch het heeft zijn grondslag in de eeuwig-

') Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2. Suppl. qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57 v. 533 v. Dale, The atonement, lect. X. Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement, ch. VII. Sartornis, Lehre v. d. h. Liebe II 67 y. Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud I 1—15 enz.

2) Holtzmann, Neut. Theol. II 114—121.

Shedd, Dogm. Theol. II 534. Verg. Dale, The atonement bl. 422.

Sluiten