Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen van zijn persoon, omdat zij met zijne Goddelijke natuur in het geheel niet of zoo weinig mogelijk rekening houdt. Er is geene scheiding mogelijk tusschen een vita Christi en een officium' Christi, gelijk Ebrard dat voorstelt 1). Zijn gansche leven stond in dienst van het ambt, waartoe Hij door den Vader aangesteld en tot welks uitoefening Hij in de wereld gezonden was. De apostolische prediking van den Christus is de eenige verklaring, welke van de Evangelische overlevering aangaande Jezus1 leven en werken mogelijk is; het eenige middel, waardoor wij van den Heiland der wereld een getrouw en levend beeld ons verschaffen kunnen 2). Christus heeft geen oogenblik voor zichzelf geleefd, Rom. 15:8, maar altijd voor zijne gemeente, om haar een voorbeeld na te laten, Mt. 11.29, Joh. 13; 14—16 enz., om haar te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Mt. 20:28, om zijne genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mede te deelen, Joh. 1:16,' 6 . 33v., Col. 3:4.

De menschwording zelve was reeds een xsvwgis, daarin bestaande, dat Hij, die sv [loqyrj &eov vnuoyow ov% uonayuov rjyrjGaTO xo slvui laa d. i. die in de gedaante Gods, op dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of aangematigds; dat Hij toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en de [lOQcpri óov'lov aannam, zoodat Hij waarlijk aan een mensch gelijk werd en in gedaante als een mensch bevonden werd, Phil. 2.7,8, 2 Cor. 8 : 9, Rom. 8: 3, Gal. 4: 4, Joh. 1:14 3). In de verwisseling der fioQcprj iïeov met de [xoQcprj êoviov, van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke, bestond zijne xsvwaig, exinanitio. En zoodra deze had plaats gehad, begon zijne raneivooaig, humiliatio, daarin bestaande, dat Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot den dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot den dood toe was dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid, een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzei zonde en een steeds verder zich verwijderen van de hemelsche

Ebrard, Chr. Dogm. § 408.

2) Kahler, Zur Lehre v. d. Veraöhnung bl. 69. Verg. ook ld., Angewandte Dogmen 1908 bl. 79—131, waar Jezus' heerlijkheid van die van den heros en bet genie onderscheiden, en in hare eenigheid en eigenaardigheid beschreven wordt.

3) Verg. Weiffenbacli, Zur Auslegung der Stelle Phil. 2 : 5—11. Karlsruhe u. Leipzig 1884. Over de onjuiste opvatting, welke de zoogenaamde kenotici aangaande deze plaats koesteren, werd reeds vroeger gesproken, boven bl. 278. 328 v.

Sluiten