Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joh. 8 : 56, Rom. 10: 7, Ef. 4 : 9, 1 Petr. 3 : 18—22, Hebr. 11: 40, 12:22v., een beroep gedaan. Maar nauwkeurige exegese stelt de ongegrondheid van dit beroep in het licht. In Hos. 13:14 belooft de Heere, dat Hij zijn volk van scheol en dood verlossen zal, maar is er van eene nederdaling ter helle geen sprake. Hand. 2 :27, 31 haalt Ps. 16:10 aan, en leert, dat Christus, gestorven zijnde, in den hades is geweest, en tot de dooden heeft behoord; maar bevat niet de minste aanwijzing voor de gedachte, welke later in de verschillende kerken met het artikel van de nederdaling ter helle verbonden is; integendeel wordt er juist gezegd, dat Christus in dien hades niet door God is verlaten, dat zijn lichaam geene verderving heeft gezien, en dat Hij ten derden dage is opgewekt; schoon als gestorvene tot den hades behoorende, was Hij toch naar zijne ziel in het paradijs, Luk. 23:43. Aan plaatsen als Joh. 8:56, Hebr. 11:40, 12:22v., ligt wel de gedachte ten grondslag, dat de geloovigen des Ouden Testaments in vele opzichten bij die van het Nieuwe Verbond achterstonden, maar zij zeggen volstrekt niets over hun tusschentoestand; of liever volgens Heb. 12 :23 vormen de vromen des Ouden Verbonds de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn en vóór de geloovigen des Nieuwen Testaments het hemelsche burgerrecht ontvangen hebben. In Rom. 10:6-8 betoogt de apostel, dat de komst van Christus op aarde en zijne opstanding uit de dooden, waardoor de geloofsgerechtigheid ten volle in Hem aanwezig is, het onnoodig maken,, om tot den hemel op te klimmen of in den afgrond neder te dalen; immers ware dat feitelijk eene loochening, dat Christus reeds uit den hemel was nedergedaald en uit de dooden was opgewekt. Nu moge in deze voorstelling eene zinspeling vervat zijn op de nederdaling van Christus in den afgrond (abyssus), waaruit Hij door de opstandmg is wedergekeerd; iets positiefs wordt daarover toch verder niet gezegd; de naam afgrond wordt door de bijvoeging: uit de dooden, nader verklaard, en heel de zin bevat geene andere gedachte, dan die ook in Hd. 2 : 27 werd aangetroffen, dat Christus als gestorvene in den hades is geweest en tot de dooden heeft behoord. Daarentegen schijnt de nederdaling sig rcc xarrnrsqa ttjs yrjg, waarvan Paulus in Ef. 4:9 spreekt, blijkens de tegenstelling, op mets anders te wijzen dan op de menschwording van Christus, waarin Hij van den hemel op de aarde nederdaalde. Eindelijk levert ook 1 Petr. 3:18—22 geen bewijs voor de uitleggingen, die er in de

Sluiten