Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om monsters en draken der onderwereld te verslaan en gestorvenen uit hunne heerschappij te bevrijden; bovendien hadden in de mysteriën van dien tijd de dramatische voorstellingen van Demeter-Kora, Attis-Adonis, Isis-Osiris enz., als symbolen van den strijd tusschen dood en leven in natuur en mensch eene buitengewone verbreiding verkregen. Doch de voorstelling van den hades was bij de Christenen, in weerwil van eenige overeenkomst, van huis uit eene andere dan' bij de Heidenen, en de gedachte, die zich met de hadesvaart van Christus verbond, week geheel af van die, welke aldus in de hadesvaart van goden en helden uitgedrukt werd. Immers wordt in de oudste Christelijke litteratuur de hadesvaart van Christus steeds met den toestand der geloovigen na hun sterven in verband gebracht. Het in 1886 in een graf te Akhmim gevonden Evangelium Petri verhaalt, dat, toen Christus uit de dooden opstond, twee mannen, die uit den hemel nedergedaald waren, Hem vergezelden, en dat het kruis Hem volgde. En deze mannen hoorden, volgens vers 41—42, eene stem uit den hemel aan Jezus vragen: sxr^v'Sag ron xot/mfuvusf en van het kruis werd toen het antwoord gehoord: ja. Hier wordt dus in het algemeen gezegd, dat Christus in den staat des doods aan de ontslapenen gepredikt heeft, zonder dat dezen eenigszins nader omschreven worden. Vele anderen echter denken bij die ontslapenen bepaaldelijk aan de vromen des Ouden Testaments. Zoo zegt Ignatius, dat Christus, toen Hij er was, de Oudtestamentische geloovigen, die Hem verbeidden, uit de dooden heeft opgewekt1). Hermas stelt het zoo voor, dat de apostelen en eerste leeraars na hun dood aan de vromen, die vóór de verschijning van Christus gestorven waren, het Evangelie verkondigd en den doop hebben bediend2). Irenaeus verhaalt van een presbyter, die tegenover Marcion de verschillende oeconomieën van Oud en Nieuw Testament verdedigde en daarbij zeide: propter hoe Dominum id ea, quae sunt. sub terra, descendisse evangelisantem et illis adventum suum, remissione peccatorum existente his, qui credunt in eum^ ). Marcion zelf was van meening, dat Christus door zijne hadesprediking alle dooden verloste, die Hem meer gelooven dan den demiurg 4). Op dezelfde wijze laten ook Justinus Martyr, Tertullianus en Irenaeus de nederdaling van Christus in den hades .ten goede komen

1) Ignatius, Magn. IX 2, verg. Loofs D. G. bl. 100.

2) Hermas, Sim. IX 16, 5—7.

3) Irenaeus, adv. haer. IV 27, 2, verg. Loofs, t. a. p. bl. 104

4) Loofs, t. a. p. bl. 113.

Sluiten