Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te geven 1). Kort samengevat staat de zaak met dit artikel aldus: 1° dat de uitdrukking: nedergedaald ter hel, voorzoover zij aan teksten als Hd. 2:27, Rom. 10:7, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch eene gansch andere beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat; 2° dat de Grieksche en Roomsche verklaring van dit artikel, als zou Christus naar den hades gegaan zijn, om de viomen des Ouden Testaments uit den limbus patrum naar den hemel overtebrengen, in de Schrift, ook in Joh. 8:56, Hebr. 10: 20, 11: 40, 12 : 22v., niet den minsten steun vindt; 3° dat de Luthersche opvatting, volgens welke Christus in zijne nederdaling ter hel aan Satan zijne overwinning en macht heeft bekend gemaakt, wel, gelijk later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring van de woorden: nedergedaald ter hel, wijl deze Schriftuurlijk en historisch zulk eene verklaring niet toelaten en blijkbaar geen trap in den staat der verhooging, maar alleen een trap in den staat der vernedering kunnen aanduiden; 4° dat de nieuwere meening, als .zou Christus ter helle gevaren zijn, om het Evangelie te prediken aan allen, die het hier op aarde niet hebben gehoord, evenmin -om dezelfde reden kan beschouwd worden als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5° dat 1 Petr. 3: 19-22 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden, dat ook dit de juiste zin niet is, dat Christus na zijne opstanding het Evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach, maar tot eene uitbreiding van deze Evangelieprediking tot alle of vele verlorenen volstrekt geen recht geeft; 6° dat de exegese, die bij de geesten in de gevangenis, 1 Petr. 3 :19 aan gevallen engelen denkt, door de nadere omschrijving en de tegenstelling met de acht zielen in vers 20, weerlegd wordt; erL7° _^at artlkel van de nederdaling ter hel het meest in overeenstemming met verwante uitdrukkingen in de Schrift, Hd. 2 : 27 31, Rom. 10:7, Ef. 4:9, met den waarschijnlijken oorsprong en zin der woorden, en met zijne plaats, tusschen de andere artikelen in, verklaard wordt, wanneer men het opvat van den staat des doods, waarin Christus als middelaar tusschen zijn sterven en opstaan verkeerde, om de straf der zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan te verlossen. In hoe Christus inferos adiit, ne nos adiremus.

Deze uitlegging is, gelijk door alle Gereformeerden steeds erkend

') Guder, Die Lehre v. d. Erscheinung Jesu Chr. unter den Todten 1853. Von Oettingen, Luth. Dogm. III 135 v.

Sluiten