Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhooging vangt dus niet eerst bij zijne opstanding en hemelvaart aan, maar begint reeds bij zijn kruis, 8 : 14, 8 : 28, 12 : 32. Ofschoon de menschen Hem daaraan verhoogen, 8: 28, zoo is Hij het toch eigenlijk zelf, die zich daardoor reeds boven de aarde verhoogt, 12 :32. Kruis en kroon, dood en opstanding, vernedering en verhooging liggen in dezelfde lijn. Gelijk Jezus het zelf na zijne opstanding zeide: de Christus moest deze dingen lijden en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan, Luk. 24 :26.

De gestorven en opgestane Christus was daarom de korte inhoud van het oorspronkelijk Evangelie. Het kruis was zulk eene geweldige ergernis, ook voor de discipelen, Mt. 26 : 31. Maar die ergernis werd voor hen weggenomen, door de opstanding. Toen zagen zij in, dat Jezus sterven moest en gestorven was overeenkomstig den raad des Vaders, Hd. 2 : 23, 3 :18, 4: 28, en dat God Hem dooide opstanding verheven had tot een hoeksteen, 4:11, 1 Petr. 2 :6, tot een Heere en Christus, 2:36, tot een Vorst en Zaligmaker,

5 : 31, tot een Heer van allen, 10 : 36, tot een Heer der heerlijkheid, Jak. 2:1, om door Hem te geven bekeering, vergeving der zonden, den H. Geest en het eeuwige leven, 2:38, 3:19, 5 : 31,10: 43,1 Petr. 1: 3v, 21; buiten wien geene zaligheid is, 4:12. Thans opgenomen in den hemel, blijft Hij daar, totdat Hij nog eèns wederkomt ten oordeele, 1:11, 3 : 21, want Hij is door God verordineerd tot een rechter van levenden en dooden, 10:42, 17 :31, en dan worden alle dingen hersteld, waarvan God door den mond zijner heilige profeten van ouds gesproken heeft, 3:21. Evenzoo leert Paulus, dat Christus, ofschoon reeds vóór zijne menschwording Zoon Gods, Gal. 4:4, Phil. 2: 6, Col. 1:15, toch door de opstanding krachtiglijk voor ons tot Zoon Gods is verklaard, Rom. 1: 4. Hij ontving toen een geestelijk, verheerlijkt lichaam, 1 Cor. 15:45, Phil. 3:21, werd levendmakende Geest, 1 Cor. 15 : 45, 2 Cor. 3 :17, de eerstgeborene uit de dooden, Col. 1:18, die voortaan eeuwiglijk Gode leeft, Rom.

6 : 10. Juist op grond van zijne diepe vernedering heeft God Hem uitermate verhoogd, een naam gegeven boven allen naam, dat is den naam van Heer, 1 Cor. 12 : 3, Phil. 2 :11, de heerschappij over levenden en dooden Hem geschonken, Rom. 14: 9, en alle dingen zijnen voeten onderworpen, 1 Cor 15: 25, 27. Als zoodanig is Hij de Heer der heerlijkheid, 1 Cor. 2 : 8, die gezeten is aan Gods rechterhand, Rom. 8 : 34,1 Cor. 2:8, in wien de volheid der Godheid lichamelijk woont, Col. 1 :19, 2 : 9, die het Hoofd der gemeente is, voor haar bidt, en haar vervult tot al de volheid Gods, Rom. 8: 34, Ef. 1: 23,

Sluiten