Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontvangenis af eene buitengewone mate van kennis en macht; Hij ontving in eens alle deugden en alle gaven des Geestes, zoodat zij in eigenlijken zin niet vermeerderd konden worden; de toeneming, waarvan Luk. 2 : 52 spreekt, heeft alleen betrekking op de eifectus, inquantum scilicet aliquis sapientiora et virtuosiora opera facit*); Christus in «én woord was reeds op aarde een comprehensor, die als de zaligen in den hemel de visio Dei genoot en dus ook geen geloof en hoop te oefenen had. Maar tegelijk had Hij toch allerlei defectus, zoowel naar de ziel als naar het lichaam 2). De defecten des lichaams bestonden vooral in de vatbaarheid voor lijden en dood, en die van de ziel in de passiones van smart en droefenis, van vreeze en toorn. In zekeren zin lagen deze opgesloten in den aard der menschelijke natuur, zooals ze ook aan Adam als homo naturalis eigen waren; maar inzoover Christus het recht en de macht zou hebben gehad, om ook eene menschelijke natuur zonder deze defectus aan te nemen, kan men zeggen, dat ze berusten op zijn* vrijen wil3). Heel deze leer van de dotes en de defectus sluit echter eene antinomie in, die het sterkst daarin uitkomt, dat Christus naar zijne menschelijke natuur tegelijk een viator en een comprehensor wordt genoemd; naar de ziel, of liever naar den geest, in mente, was Hij een comprehensor, aanschouwde Hij en verheugde zich in de genieting van God, bezat Hij de volle zaligheid; maar naar de lagere ziel en het lichaam, quia et anima ejus erat passibilis et corpus passibile et mortale, was Hij een viator en streefde Hij nog naar de volkomene, ook ziel en lichaam omvattende, zaligheid4). Er vloeide hieruit voort, dat Christus ook naar zijne menschelijke natuur vanwege hare nauwe vereeniging met den Logos goddelijke vereering waardig was, eene vereering, die zelfs tot de bijzondere deelec van zijn lichaam, zijn hart, zijn vleesch, zijn bloed, zich uitstrekken mocht °); verder, dat het lijden van Christus tot de lagere ziel en het lichaam beperkt bleef6); en eindelijk, dat de verhooging niet op de hoogere ziel van Christus betrekking had, maar zich evenzoo tot zijn lagere ziel en lichaam zich bepaalde. Want de hoogere ziel van Christus was heerlijk van het oogenblik der ontvangenis af;

') Thomas, S. Theol. III qu. 7 art. 12 ad 3. qu. 12 art. 2.

*) Thomas, S. Theol. III qu. 14. 15.

3) Thomas, S. Theol. III qu. 14 art. 2. 3.

4) Thomas, S. Theol. III qu. 15 art. 10.

5) Verg. boven bladz. 347, 459.

•) Verg. boven bladz. 468.

Sluiten