Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch deze heerlijkheid stroomde in den staat der vernedering niet tot zijn lichaam uit. Maar toen Hij opstond, werd terstond zyn lichaam deelgenoot van de heerlijkheid, welke Hij naar de ziel reeds bezat!), ofschoon het de litteekenen der wonden als bewijzen zijner zegepraal eeuwig behouden blijft2). Zijne ziel, divinitate plena3), heeft bij de verhooging ook het lichaam, voorzoover het daarvoor vatbaar was, in die volheid doen deelen. Want ofschoon dit lichaam, naar zijn stoffelijken aard, beneden de geestelijke substanties staat, gaat het toch vanwege de waardigheid der vereeniging met de ■Godheid, de waardigheid van alle geestelijke substanties ver te boven ; en tanto alicui rei debetur altior locus, quanto est nobilior ).

397. In nog veel grooter moeilijkheden wikkelde zich later de Luthersclie theologie. Want terwijl de scholastici alleen nog spraken van eene mededeeling van buitengewone, Goddelijke gaven aan de menschelijke natuur van Christus, kwamen do Lutherschen door hunne avondmaalsleer tot de belijdenis, dat ook bepaalde Goddelijke •eigenschappen aan haar waren geschonken ®). Dien ton gevolge konden zij het onderscheid tusschen den staat der vernedering en dien der verhooging nog veel minder dan de Roomschen tot zijn recht doen komen. Op hetzelfde moment toch, waarop de Logos de menschelijke natuur aannam, maakte Hij haar vatbaar voor de inwoning van de volheid der Godheid en voor de mededeeling der Goddelijke eigenschappen. Al heeft de Godmensch deze eigenschappen in een tweede moment ook weer, ten aanzien van het gebruik of althans van het publieke gebruik, afgelegd, Hij bleef ze toch behouden. De staat der verhooging kan daarom bij de Lutherschen niets anders wezen, dan een wederom in gebruik of in publiek gebruik nemen van de te dezen opzichte vroeger afgelegde Goddelijke eigenschappen. Christus ontving dus bij zijne

1) Thomas S. Theol. III qu. 54 art. 3: anima Ohristi a principio suae conception is fait gloriosa per fruitionem divinitatis perfectam. Est autem dispensative factum ut ab anima gloria non redundaret in corpus, ad hoe quod mysterium nostrae redemptionis sua passione impleret. Et ideo, peracto hoe mysteno passionis et mortis Christi, statim anima in corpus in resurrectione resumptum suam gloriam derivavit, et ita factum est corpus illud gloriosum.

2) Thomas, S Theol. III qu. 54 art. 4.

3) Thomas, S. Theol. III qu. 59 art. 4. ,

<) Thomas, S. Theol. III qu. 57 art. 5. Verg. verder de litteratuur, boven bladz.

269, 336, reeds genoemd.

5) Verg. boven bladz. 271.

Sluiten