Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhooging niets wat Hij niet reeds had; non data est Christo in exaltatione nova potentia, virtus aut majestas, quam antea non habuit, sed collata ei tantum fuit plena facultas administrandi ejus regni, quod per ipsam unionem acceperat1). Deze terugneming van het gebruik der Goddelijke eigenschappen had volgens de Lutherschen plaats in het moment der reviviscentia of vivificatio, en deze is dus eigenlijk de eerste trap der verhooging. Wel wordt door Gerhard, Quenstedt e. a., de descensus ad inferos de eerste trap genoemd; maar wijl deze descensus bepaaldelijk is geschied naar de menschelijke natuur van Christus, naar ziel en lichaam beide, moet de vivificatio daaraan voorafgaan; en Buddeus en anderen geven haar daarom terecht de eerste plaats in den staat der verhooging 2). Van deze vivificatio leeren de Lutherschen verder, dat zij geschiedde niet alleen door Christus' Goddelijke, maar ook door zijne menschelijke natuur; deze had daartoe wel niet vanzelve de macht, maar zij bezat toch van het moment der incarnatie af de Goddelijke eigenschappen, bepaaldelijk ook de vis vivificans; en alzoo anima Chiisti, virtute divinitatis personaliter sibi communicata, corpus utpote proprium suum templum vivificavit 3). Voorts nam Christus naar zijne menschelijke natuur in datzelfde moment der vivificatio al die Goddelijke eigenschappen weer in gebruik, welke deze in de incarnatie ontvangen, maar in de exinanitie, althans wat het gebruik of het publiek gebruik aangaat, afgelegd had ; d. i. zij had op datzelfde oogenblik weer het gebruik der omniscientia, omnipotentia, omnipraesentia en vis vivificans 4).

Daaruit volgt, dat de gradus exaltationis bij de Lutherschen eigenlijk geen verschillende, op elkaar volgende trappen in de verhooging kunnen zijn. In het moment der vivificatie was de menschelijke natuur van Christus terstond, door hare vereeniging met den Logos, almachtig, alwetend, alomtegenwoordig. De descensus ad inferos, die door de Lutherschen tot de verhooging gerekend wordt, is eene openbaring van Christus' majestas divina in de hel; de resurrectio is slechts eene resurrectionis manifestatio

Quenstedt, Theol. III 368. Verg. Gerhard, Loei Theol. IV § 306 v. 329. Hollaz, Ex. Theol. bl. 774. Buddeus, Inst. Theol. bl. 788. Schneckenburger, Zur kirchl. Christologie bl. 93—114.

*) B"ddeus, Inst. Theol. bl. 789. Verg. M. Vitringa, Doctr. V 573.

") Quenstedt, Theol. III 435.

4) Quenstedt, Theol. III 154—198.

Sluiten