Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de menschen l); beide hadden dan ook plaats clauso sepulcro, evenals de verschijning van Jezus aan de discipelen, Joh. 90 . 19, plaats had occlusis foribus 2); de hemelvaart heet wel een vera et realis loei mutatio, inzoover Christus zichtbaar voor het oog zijner jongeren is opgevaren, maar is toch alleen eene visibilis en localis, geenszins eene invisibilis absentia corporis Christi in terris, want ook naar zijne menschelijke natuur is en blijft Christus alomtegenwoordig, zij het ook op onzichtbare wijze 3); en de sessio ad dextram Dei eindelijk bestaat daarin, dat Christus, bepaaldelijk naar zijne menschelijke natuur, deel heeft aan de divina, infinita ac immensa virtus et majestas Dei, vooral ook aan zijne alomtegenwoordigheid, en deze uitoefent in zijn koninkrijk der genade en der macht 4). Bedenkt men nu, dat al deze eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus reeds in het moment der vleeschwording zijn medegedeeld, en dat Hij wel het gebruik maar nooit het bezit daarvan afgelegd heeft; dan blijkt, dat volgens de Luthersche voorstelling aan Christus in den staat der verhooging niets is medegedeeld, wat Hij niet reeds van zijne ontvangenis af aan bezat. Christus is terstond bij zijne vleeschwording datgene, wat Hij worden kon; Hij is in eens ook naar zijne menschelijke natuur voltooid, teIsioc; er is geen ontwikkeling bij Hem mogelijk; de verhooging was er al bij zijne ontvangenis en kan dus met opgevat worden als een loon. De Luthersche leer is op dit punt aan de Roomsche verwant, die Christus reeds op aarde comprehensor laat zijn en alle gaven, voor welke de menschelijke natuur vatbaar is, reeds bij de vleeschwording aan Christus laat mededeelen; en zij dient ter verdediging van eenzelfde religieus belang, n.1. de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal.

Aan Roomsche en Luthersche theologie is dus de onderscheiding gemeen tusschen eene ideale en eene empirische menschelijke natuur, welke Christus reeds in den staat der vernedering bezat. Maar deze onderscheiding valt toch in den tijd en na de vleeschwording. Evenals in de oudheid bij Gnosticisme en Monophysitisme, zoo

!) Buddeus, Inst. bl. 789.

*) Quenstedt, Theol. III 441.

3) Gerhard, Loei Theol. IV § 219, XXVIII § 24. Quenstedt, Theol. III 380. Buddeus, Inst. bl. 796. Philippi, Kirchl. Gl. IV 1 bl. 185. Verg. M. Vitnnga,

Doctr. V 601. De Moor, Comm. IV 246.

4) Quenstedt, Theol. III 383-388. 443-450. Gerhard, Loei IV § 218. Buddeus,

Inst. bl. 797.

Sluiten