Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2:7 is Hij subject, die iv ^oQ'PJ] &80V. bestond ; maar,zoodra de Logos de menschelijke natuur had aangenomen, werd Hij van de volgende vernedering en verhooging naar beide naturen het subject.

Bij de vraag, op welke wijze en in welke mate de goddelijke natuur aan de vernedering en verhooging deelnemen kon, had men natuurlijk uiterst voorzichtig te zijn. Handhavende, dat de middelaarswerken in beide staten door den éénen persoon met beide naturen tot stand gebracht zijn, mocht men toch met het oog op de onveranderlijkheid Gods geen oogenblik toegeven, dat de xevwais in het afleggen van sommige of alle goddelijke eigenschappen bestond. Christus bleef wat Hij was, ook toen Hij werd wat Hij niet was. Dienovereenkomstig werd eenparig door de theologen van Gereformeerde belijdenis geleerd, dat Christus' vernedering naar zijne goddelijke natuur hierin bestond, dat Hij 1° reeds van eeuwigheid in het pactum salutis vrijwillig op zich had genomen, om de verwerver en bedienaar van onze zaligheid, en alzoo knecht des Heeren te zijn; dat Hij 2° in de volheid des tijds de menschelijke natuur aannam, en wel zulk eene, die aan de onze in alle opzichten, uitgenomen alleen de zonde, gelijk was; dat Hij 3° de goddelijke majesteit en heerlijkheid, de /logyrj ösov, waarin Hij vóór de vleeschwording bestond, aflegde, of liever nog verbergde achter de pogw óoidov, waarin Hij op aarde rondwandelde; en dat Hij 4° gedurende zijne vernedering geen enkel oogenblik van zijne goddelijke macht en van al zijne goddelijke eigenschappen gebruik heeft gemaakt, om zichzelf te behagen en zijne vijanden te verslaan. Hij heelt niet anders gestreden en overwonnen dan met het wapen van het kruis. Zelfverloochening was het geheim van zijn leven 1 )■ Daaraan beantwoordt de verhooging; zij gold beide naturen en bestonc daarin, dat Christus in de heerlijkheid, welke Hij als de Zoon reeds van eeuwigheid bij den Vader had, thans ook zijne menschelijke natuur, voorzoover deze daarvoor vatbaar was, deelen deed.

Een'tweede voordeel, dat de Gereformeerde theologie in de leer van den status duplex bezat, bestaat daarin, dat zij het innig verband, hetwelk de Schrift tusschen den staat der vernedering en dien der verhooging legt, ten volle tot zijn recht kon doen komen, en de verhooging zelve werkelijk als eene verhooging in eigenlijken zin

x) Chamier, Panstr. Cath. II 7. 3. Wendelinus, Exerc. Theol., Ex. 66. Mistrichl Theol. V 2, 16 v. 21 v. 9. 4. Witsius, Oec. foed. II 3. 7. Turretmus, Theol. HL XIY 2. De Moor, Comm. III 585 v. IV 21 v. M. Vitringa, Doctr. V 457.

Sluiten