Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvatten kon. Reeds vroeg werd in de dogmatiek de vraag behandeld, of Christus door zijne volmaakte gehoorzaamheid ook iets voor zichzelven verdiend had. Anselmus zeide, dat Christus door zijn onverplicht en gansch vrijwillig sterven wel loon had verdiend, maar dit, wijl Hij zelf alles reeds bezat, aan de zijnen had afgestaan '). De meeste scholastici en ook de meeste Roomsche theologen gaven echter ten antwoord, dat Christus in zijne vernedering wel terdege iets voor zichzelveD verdiend, en dit ook in de verhooging werkelijk voor zichzelven verkregen had. Doch, daar zij aan de menschelijke natuur van Christus van het moment der ontvangenis af reeds toekenden de volheid der genade en waarheid en alleen nog van defectus spraken bij de lagere ziel en het lichaam van Christus, konden zij het loon der verhooging alleen daarin laten bestaan, dat de gratia, welke Christus in zijn geest bezat, nu ook overstroomde in zijn ziel en lichaam, en deze in de heerlijkheid deelen deed 2). Maar de Lutherschen konden ook in dezen beperkten zin van geen loon en van geen verhooging bij Christus spreken. Want volgens hen werd de menschelijke natuur van Christus reeds in het moment der incarnatio de goddelijke eigenschappen der alomtegenwoordigheid, alwetendheid en almacht deelachtig; zij ontving deze. eigenschappen dus niet eerst als loon op het middelaarswerk in den staat der vernedering, maar ontving ze reeds van te voren, krachtens hare vereeniging met de goddelijke natuur, en behield ze ook altijd door, zij het ook dat Christus in zijne vernedering daarvan geen gebruik of althans geen publiek gebruik maakte; en de verhooging was daarom geene eigenlijke, werkelijke verhooging, doch slechts een in gebruik of in publiek gebruik nemen van datgene, wat Hij reeds van den aanvang af deelachtig was; geen resultaat van eene voorafgaande, menschelijke ontwikkeling, maar niets dan eene gloriosa manifestatio van hetgeen Hij in het verborgene reeds was en bezat 3). Ook onder de G-ereformeerden waren er, die zeiden, dat Christus niets voor zichzelven, maar alles voor ons heeft verworven, en zij beriepen zich op al die plaatsen in de H. Schrift,

r) Anselmus, Cur Deus homo II 19.

-) Lombardus, Sent. III 18. Thomas, S. Theol. III qu. 19 art. 3. qu. 48 art. 1. qu. 4.) art. 6. Bonaventura, Brevil. IV 7. Bellarminus, de Christo V 9. 10. Becanus, Iheol. Schol. III tr. 1 c. 14 qu. 5. Id., Manuale Controv. III 2 qu. 4. Pesch, Prael. Dogm. IV 226. Jansen, Prael. theol. II 736. Verg. boven bl. 478.

3) Gerhard, Loei IV 329. Quenstedt, Theol. III 324. Hollaz, Ex. bi. 748. Buddeus Inst. bl. 787.

Sluiten