Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar het werk van Christus met zijn volk in verband gebracht wordt, Mt. 1: 21, Joh. 17 :19, 1 Cor. 1: 30, 1 Tim. 1:15 enz. *).

-» r n rr£>l OOVrl ttTl WHTPn t.OP.ll

öyy. Maar zeer veie awtjiuimcciuo .

van een ander gevoelen en gaven op de bovengestelde vraag een bevestigend antwoord. Volgens hunne meening was de gebedsverhooring, Joh. 11:42, Hebr. 5:7, en vooral de gansche staat der verhooging, van de opstanding af tot de wederkomst ten oordeele toe, een loon voor den arbeid, dien Christus in de dagen zijnei vernedering als knecht des Heeren verricht had 2). Met de Schrift in de hand is er ook geen andsr antwoord mogelijk. Want telkens stelt zij den staat der vernedering voor als den weg en het middel, waardoor Christus alleen de verhooging deelachtig kon worden, Jes. 53 :10—12, Matth. 23 :12, Luk. 24: 26, Joh. 10 :17, 17 : 4, 5, Phil. 2': 9, Hebr. 2 :10, 12 : 2. Het dio in Phil. 2 : 9 duidt niet maar de ordo en consequentia, doch bepaaldelijk de causa meritoria van de verhooging aan; omdat Christus zich zoo diep heeft vernederd, daarom heeft God Hem zoo uitermate verhoogd. Vooral de brief aan de Hebreen legt op dit meritorisch verband tusschen Christus' vernedering en verhooging telkens sterken nadruk, 1: 3, 2-9 10, 5 : 7—10, 10 :12, 12 : 2. Christus is zelf door het lijden geheiligd, dat is niet Gode gewijd of zedelijk volmaakt geworden, maar voltooid, tot vollen wasdom en rijpheid gebracht, «lao; geworden, hetwelk dan daarin bestaat, dat Hij thans met eer en heerlijkheid is gekroond, 2:9, als hoogepriester is gezeten aan de rechterhand der majesteit in de hoogste hemelen, 8:1, de vreugde deelachtig is geworden, met het oog waarop Hij het kruis verdroeg en de schande verachtte, 12:2, en eene oorzaak der eeuwige zaligheid is geworden voor allen, die Hem gehoorzaam zijn, 5:9.

De reden, waarom velen bezwaar hadden, om bij Christus van eene verdienste voor zichzelven te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die Christus eerst in den staat der verhooging tot de koninklijke waardigheid en tot den rang der Godheid lieten

i) Calvijn, Inst. II 17, 6. Comm. op Phil. 2:9. Polanus, Syst. Theol. VI 26 Junins, Theses theol. 29, 11. Chamier, Panstr. Cath. II 7, 8. Maresius, Sys .

Theol. 45. Kantteekening St. V. op Phil. 2:9 enz

*) Zanchius, Op. VI 121. VIII 477. 502. Piscator, Comm. op Phil. 2: 9. Gomarus, Op. I 230 v. Clopperiburg, Op. I 305. 8S8. Rivetus, Op. II 83b. Voetius, 1SP265-267. Mastricht, Theol. V 14, 7. Heidegger, Corp. Theol. XVIIL 39. De Moor, Comm. III 600. M. Vitringa, Doctr. V 585 v.

Sluiten