Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luk. 24:48, Joh. 20:21—23, het herstel van Petrus, Joh. 21:15—17, de prediking van het Evangelie aan alle volken, Mt. 28:19, Mk. 16 :15, Luk. 24 : 47, Hd. 1: 8, den aard van het geloof in zijn naam, Mk. 16 :16, Joh. 20 :29, de weldaden, die daardoor verkregen worden, Mk. 16:16, Luk. 24:27, de beteekenis en bediening van den doop, Mt. 28:19, de toekomst van het Godsrijk, Hd. 1:7, de belofte van den H. Geest, Luk. 24:49, Hd. 1:4, 5, zijn eigen Godheid, Joh. 20: 28, en de volle openbaring Gods als Vader, Zoon en Geest, Mt. 28:19.

Nadat Jezus op deze wijze zijne discipelen onderwezen en bekwaamd had, voer Hij op den veertigsten dag ten hemel. Mattheüs en Johannes maken van deze gebeurtenis in het geheel geen melding. Markus vermeldt ze wel, maar kort en in een gedeelte, dat volgen velen niet tot het oorspronkelijk Evangelie heeft behoord, 16:19. Volgens het Evangelie van Lukas, 24:50, 51, leidde Jezus zijne discipelen uit naar Bethanië, hief zijne handen op en zegende hen, en scheidde toen van hen, dVfor/y cln' avroov, en werd opgenomen in den hemel, dveifsqszo tig tov ovoavov (ten onrechte zijn deze laatste woorden door Tischendorf weggelaten). In de Handelingen geeft Lukas ons een meer uitvoerig bericht, Hd. 1:1—-12 ; we vernemen dan, dat de hemelvaart plaats had veertig dagen na de opstanding, van den Olijfberg, eene sabbatsreize van Jeruzalem, dat Jezus opgenomen werd onderwijl de discipelen het zagen, maar dat eene wolk Hem wegnam van hunne oogen enz. De gebeurtenis wordt in het passivum uitgedrukt, aveyeQszo, Luk. 24: 51, sTirjQ&r], Hd. 1: 9, uvehjty&rj, Hd. 1: 2, 11, 22, 1 Tim. 3 :16, maar ook in het activum, als een scheiden, Luk. 24: 51, heengaan, Joh. 13:3, 33, 14 : 28, 16 : 5v., 1 Petr. 3 : 22, of opvaren Ef. 4 : 8 voorgesteld; ze is dus zoowel eene daad van den Vader, als een eigen werk van den Zoon. Terwijl de berichten over de gebeurtenis zelve weinige zijn, is het Nieuwe Testament rijk aan indirecte getuigenissen. Jezus voorspelde ze zelf, Mt. 26: 64, en zinspeelde er herhaaldelijk op, Joh. 6 : 62, 13 : 3, 33, 14 : 28, 16 : 5, 10, 17, 28, 17 : 24. Petrus maakte er bij zijn optreden in Jeruzalem telkens melding van, Hd. 2 : 33, 34, 3 : 21, 5 : 31, verg. 1 Petr. 3 : 21. Stephanus zag de hemelen geopend en den Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods, Hd. 7 :56. Paulus maakt er herhaaldelijk gewag van, Hd. 13:30—37, Ef. 4:8—10, Phil. 1:23, 2:9, 3:20, Col. 3:1, 1 Thess. 1:10, 4 :14—16, 1 Tim. 3 :16 ; in den brief aan de Hebreën komt ze meermalen voor, 2:9, 4 :14, 6 :19, 20, 7 : 26, 9 : 24, 10 : 12,

Sluiten