Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want de toorn Gods is immers geen booze hartstocht van haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen dorst naar wraak, maar beide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar. Gelijk eene moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon, naarmate zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig verbonden gevoelt; zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de liefde jegens zijne schepselen samengaan, Jes. 1:2, Jer. 44:4, Am. 3 : 2. Odit in uno quoque nostrum quod feceramus, amavit quod fecerat, zegt Beda1), en Thomas verklaart in denzelfden geest: Diligit omnes hommes quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tarnen eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt2). Om onze zonden zijn wij, volgens Calvijn, wel voorwerpen van Gods toorn, verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult, adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet3). En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op het oogenblik van Christus' offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd ware. Want in God is er geene verandering noch schaduw van omkeering; al zijne eigenschappen zijn met zijn wezen één ; in de eeuwigheid is er geen vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne verzoening met ons, dan spreekt ze niet onwaar, maar toch naar onze menschelijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar wel in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk wil en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin zij in de werkelijkheid plaats grijpen 4).

') Beda bij Turretinus, de satisf. bl. 86.

2) Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4.

3) Calvijn, Inst. II 16, 3. -in

4) Verg. deel II 148. Calvijn zegt, dat spreekwijzen als er in Kom. 5: 10, Gal. 3 :10, 13, Col. 1 :21, 22 voorkomen, n.1. dat God den menschen vijandig was, totdat zij door den dood van Christus in zijne gunst zijn hersteld enz., dat zulke spreekwijzen ad sensum nostrum sunt accommodatae, ut melius intelhgamus, quam misera sit et calamitosa extra Christum nostra conditio. Nisi enim claris verbis diceretnr, iram ac vindictam Dei mortemque aeternam nobis incubuisse, minus agnosceremus quam miseri essemus sine Dei misericordia, et benebcium liberationis minoris aestimaremus, Inst. II 16, 2, en andere soortgelijke uitspraken bij Scholten, L. H. K. I 413 v. Verg. Sanday-Headlam t. a. p. bl. 130: xara ccVi/oo)7iov must be written large over all such language.

Sluiten