Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God, de wegneming van de gedachte, dat de zonde de gemeenschap met God verhindert 1). Gevolg en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk een goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief in die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de vijandschap aflegt en in verhouding van vrede tot God zich stelt; zij is eene ethische verandering in ons 2).

Er is groot verschil tusschen Schleiermacher en Ritschl: bij genen staat de persoon, bij dezen het werk van Christus op den voorgrond; bij den eersten komt de subjectieve verandering des menschen tot stand langs mystischen weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher de Erlösung, de mededeeling van Christus' zondelooze volkomenheid, en bij Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging, die allereerst een goed der gemeente is. Maar bij dat verschil is de overeenstemming nog grooter: Christus is bij beiden de zondelooze mensch, die in bijzondere gemeenschap met God staat; de passieve gehoorzaamheid wordt in het werk van Christus door beiden ontkend; zijn lijden en dood is slechts het noodzakelijk gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde trouw aan God; het verband tusschen Christus1 werk en de vruchten daarvan in den geloovige, in de gemeente, blijft bij beiden onhelder; beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging als eene objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch oordeel aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch ook bij hem, niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor ieder individu, de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening afhankelijk 3). Bovenal echter komen beiden daarin overeen, dat zij de werking van Christus' leven en lijden tot het religieuze en ethische gebied beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs bij deze beperking geen van beiden helder in het licht

x) Ritschl, t. a. p. III 51. 60. 61.

2) Ritschl, t. a. p. II 230 v. 342 v. III 74-76. Unterricht in der Christl. Rel. § 37.

3) Verg. Jahrl». f. deutsche Theol. 1888 bl. 21. 22. Kiibel, Ueber den Unterschied der posit. u. d. liber. Richtung in der mod. Theol.s 1893 bl. 150. Kohier, Zur Lebre v. d. Vers. bl. 32 v. Joh. Wendland, Albrecht Ritschl und seine Schliler. Berlin 1899 bl. 120 v.

Sluiten