Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et nemo est, quem nort aut evangelica praedicatio aut legis testiiicatio aut ipsa etiam natura conveniat; sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus; fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit der voldoening, Christus is wel pro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram humanae naturae susceptionem et propter communem in primo homine omnium perditionem; potest tarnen dici pro his tantum crucifixus, quibus mors profuit 1). Hoe gematigd dit uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus, Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor alle menschen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus alleen gestorven was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange 529 sprak slechts uit, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de zaligheid noodig is 2). In de 9° eeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake; Gottschalk leerde, dat Christus baptismi sacramento (reprobos) luit, non tarnen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem fudit. Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is, maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het geloof weer verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding. En de synode van Yalence 855 sprak in denzelfden geest; zij verwierp, dat Christus zijn bloed had gestort etiam pro illis impiis, qui a mundi exordio usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen, de quibus ipse Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in ipso non pereat sed habeat vitam aeternam 3).

Ook de scholastiek bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw ; 1 Tim. 2 :4 moet niet zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde, dat er ook behouden werden,

') Eesp. ad cap. cal. Gall. 8. 9.

2) Verg. Petavius, de incarn. XIII c. 5—7. Schivane, D. G. II2 571—58'2.

3) Petavius, de incarn XIII 8. M. Vitringa, Doctr. VI 149—151.

Sluiten