Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

actum reipsa ab oblatione, quatenus in eoelo peragitur, distinctum »). Indien de intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Job. 17: 9, 24 Rom. 8 : 34, Hebr. 7 : 25, 1 Joh. 2:1,2, dan is bet ook de offerande. Wel beroept zicb Limborcb daartegen op Luk. 23 : 34 2), maar hier bidt Jezus niet om de zaligheid zijner vijanden, doch alleen om de niet-toerekening van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid zich schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden. En evenzoo is er een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving en de toepassing der zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen saam, Rom. 8: 28—34, en vinden haar grond in den dood van Christus, Rom. 5:8—11. De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede. Christus is immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2 :19 ; Hij is de hoeksteen en zij zijn het gebouw, Ef. 2 : 20, 21; Hij is de eerstgeborene en zij zijn zijne broederen, Rom. 8:29. De geloovigen zijn dan ook objectief met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in den hemel gezet. Dat is : de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van individuen, dat even goed kleiner als grooter kan zijn, maar zij vormt met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten ligt, zooals de gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam 3). De toepassing moet daarom even ver zich uitstrekken als de verwerving der zaligheid ; zij is in deze begrepen en daarvan de noodzakelijke uitwerking.

Trouwens ligt dit ook in den aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk ook werkelijk zalig maken, niet mogelijk maar werkelijk en metterdaad, volkomen en eeuwig.' En dit is ook eigenlijk het hart van het verschil tusschen de vooren de tegenstanders der bijzondere voldoening. Men geeft dit verschil onjuist of althans hoogst onvolledig weer, als men het uitsluitend formuleert in de vraag, of Christus voor alle menschen dan wel alleen voor de uitverkorenen stierf en voldeed. Zoo wordt het verschil ook niet behandeld en beslist in het tweede hoofdstuk der Dordsche canones. Maar de eigenlijke, wezenlijke strijd liep over de waarde en de kracht van Christus' offerande, over den aard van het werk der zaligheid. Zaligmaken, zeiden de Gerefor-

l) Limborch, Theol. Christ. III 19, 11.

*) Limborch, Theol. Christ. IV 4, 7.

3) Rothe, Theol. Ethik I bi. 501.

Geref. Dogmatiek III.

Sluiten