Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat God in den dood van Christus alle zondaren zoo met zich verzoend heeft, ut per et propter hoe ipsum kvvqov ac sacrificium in gratiam cum iis redire et ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit x). De Kwakers laten Christus' werk daarin bestaan, dat Hij de verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt 2). En tot gelijke slotsom moeten allen komen, die eene algemeene voldoening leeren 3). Het zwaartepunt wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is~de~ware verzoening met God 4). De Gereformeerden waren echter van eene andere gedachte. De satisfactio vicaria is geen „fertige Grosse", maar is een werkend beginsel en sluit principieel de gansche herschepping in zich. Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden, maar maakt zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis volbracht. Zaligmaker is Hij, omdat Hij niet alleen voor onze zonden gestorven, maar daarna ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij heiligde zichzelven, opdat ook de zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17:19. Hij gaf zich voor de gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelven heerlijk voorstellen zou, Ef. 5: 25—27. Beide, Christus en zijne gemeente zijn uit éénen, n.1. God, Hebr. 2 :11, en zijn als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met Christus schenkt God aan de geloovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8: 32v., Ef. 1:3, 4, 2 Petr. 1:3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen mede, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef. 1: 3v., de gave des H. Geestes, 1 Cor. 12 : 3, het geloof, Phil.

x) Conf. Rem. VIII 9.

2) Barclay, Verantwoording van de ware Christ. Godg. 1757 bl. 153.

3) Duidelijk komt dit uit in een artikel van B. Liebe, Ueber die Liebe Gottes, Zeits. f. Th. u. K. 1909 bl. 347—405. De universeele opvatting van de liefde Gods, alsof zij in gelijke mate allen gold, heeft van God een allzugemütliches Wesen gemaakt, en zijne liefde van haar kracht beroofd, zoodat Nietzsche tegen zulk eene kleinburgerlijke liefde niet ten onrechte toornde. Ze wordt door de volkskerk bevorderd, maar is met de Christelijke ervaring en heel de werkelijkheid in strijd. Liebe wil daarom weer onderscheid maken tusschen eene universeele en eene particuliere (individueele) liefde Gods, die hij dan vervolgens niet dualistisch naast elkander plaatst, maar evolutionistisch met elkaar in verband brengt. Verg. ook de besprekingen van dit artikel door Herrmann en Pauli in de beide volgende afleveringen.

4) Kübel, Ueber den Unterschied usw. bl. 135 v.

Sluiten