Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1: 29, de bekeering, Hd. 5 : 31, 11:18, 2 Tim. 3 : 25, een nieuw hart en een nieuwen geest, Jer. 31: 33, 34, Ezech. 36 : 25—27, Hebr. 8 : 8—12, 10:16 »).

In de derde plaats is hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valsche stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie personen van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt de gave des geloof's en der zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tusschen de bedoeling Gods, die aller behoud wenscht, en den wil of de macht Gods, die de zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat den persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond voorafgaan, zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en niet plaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen Hem en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die de vergeving en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het richt den vrijen wil op, die de macht heeft om te gelooven, het werk van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel het resultaat der wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten 2), dat indien Christus voor allen gestorven is, ook allen hier ol hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om Hem aan te nemen of te verwerpen ; want het ware gansch onrechtvaardig, om hen, wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen, alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom iemand verloren gaan en gestraft kan worden, het ongeloof is ; alle andere zonden zijn immers verzoend; tot zelfs die van den mensch der zonde, den antichrist toe.

407. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de volkomene zaligheid niet tot alle menschen hoofd voor hoofd is uit te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die

!) Verg. behalve de Canones Dordr., ook de Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland, Antapologia c. 16. Mastricht, Theol. V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269. V 270. Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. M. Vitringa, Doctr. VI 126 v. De Moor, Comm. III 1086 v. Cunningham, Histor. Theol. II 301 v. Schneckenbxcrger, Vergl. Darstellung II 26.

2) Barclay, Verantwoording bl. 92.

Sluiten