Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vol wordt. Gelijk de gemeente er niet is zonder Christus, zoo is Christus niet zonder de gemeente; Hij is haar xecpalr) vtzeq nawee, Ef. 1:22, Col. 1:18, en zij is zijn acofia, dat uit Hem gevormd wordt en den wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2: 19, en alaoo opwast sïg usiqov fjkixiag %ov rcAtjoaiiiuiog tov Xdmjiov, Ef. 4: 13. De vereeniging tusschen Christus en zijne gemeente is zoo nauw als die tusschen wijnstok en ranken, bruidegom en bruid, man en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan met Hem de ééne Christus heeten, 1 Cor. 12:12. Om haar te volmaken, is Hij verhoogd aan 's Vaders rechterhand ; gelijk Christus door zijn lijden en sterven in de opstanding en hemelvaart verheven is tot Hoofd der gemeente, zoo moet thans die gemeente gevormd worden tot het lichaam van Christus. Het middelaarswerk is één groot, machtig, goddelijk werk, dat in de eeuwigheid begon en eerst in de eeuwigheid voltooid wordt. Maar het is bij het moment der opstanding in twee helften gedeeld ; toen was het lijden, nu ingaan in de heerlijkheid; toen nederdalen in de benedenste deelen der aarde, thans opvaren in de hoogte ; maar beide zijn voor het werk der zaligheid even noodzakelijk. En in beide staten is het dezelfde Christus, dezelfde middelaar, dezelfde profeet, priester en koning.

409. Dat Christus ook in den staat der verhooging zijne profetische werkzaamheid voortzet, wordt al terstond daaruit bewezen, dat Hij in de veertig dagen tusschen opstanding en hemelvaart tot zijne discipelen sprak van de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, Hd. 1:3 1). Voorts vervulde Hij de belofte, welke hij aan zijne jongeren gegeven had, dat zij den H. Geest ontvangen zouden en dat deze hen alles leeren en in al de waarheid leiden zou, Joh. 14 : 26, 16 :13 ; dien Geest schonk Hij in bijzonderen zin aan de apostelen, Joh. 20: 22, maar dan verder ook aan alle geloovigen, Hd. 2. Door de buitengewone ambten van de apostelen, profeten en evangelisten liet Hij mondeling en schriftelijk de waarheid verkondigen, welke in zijn persoon en werk waren geopenbaard; door buitengewone gaven van wijsheid en kennis, 1 Cor. 12 :8, deed Hij die waarheid kennen en verstaan; en door buitengewone teekenen, Mk. 16:17, Hd. 5 :15, 8:6, 7, 13, Rom. 15 :18 enz., bevestigde Hij ze tot gehoorzaamheid van Joden en Heidenen. En ook, nadat deze grondleggende periode der kerk was voorbij gegaan, blijft

Verg. boven bl. 500 v.

Sluiten