Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus als profeet in zijne gemeente werkzaam, want door het woord der apostelen, dat in de Schrift is neergelegd, brengt Hij voortdurend menschen tot het geloof in zijn naam, Joh. 17 :20, en tot de gemeenschap met Hem en den Vader, 1 Joh. 1:3; door het gewone ambt van herders en leeraren, Rom. 12:7, 1 Cor. 12 : 28, Ef. 4:11, 1 Tim. 5 : 17, bouwt Hij zijne gemeente op in genade en kennis van haren Heer en Zaligmaker, en door de werking des H. Geestes bestraalt Hij haar met de verlichting van het Evangelie zijner heerlijkheid, 2 Oor. 4:4, 6.

Al deze bedieningen en werkingen gaan uit van den verhoogden Christus, die de ééne Heer der gemeente is, 1 Cor. 8:6, in wien alle schatten van wijsheid en kennis verborgen aanwezig zijn, Col. 2:3, 1 Cor. 1:30. Hij kwam in de wereld, om aan de waarheid tegenover de leugen getuigenis te geven, Joh. 8 : 44, 45, 18 : 36; Hij sprak de waarheid niet slechts, maar Hij is de waarheid zelve, die den Vader heeft verklaard, tot den Vader leidt en in de kennis van G-od het eeuwige leven schenkt, Joh. 1: 17, 18, 14: 6, 17 : 3. Daarom bedient Hij zich in den strijd tegen de leugen van geen ander wapen dan van dat van het woord; dit woord is het zwaard zijns monds, Ef. 6 :17, Op. 2 :12, 16, 19 :15. Door dat woord oordeelt en schift Hij, Joh. 3 : 17, 18, 9 : 39, 12 : 47, Hebr. 4 : 12, maar maakt Hij ook vrij en schenkt Hij het leven, Joh. 8: 31, 32, 51, 15:3, 17 :3. In zijn woord te blijven en zijn woord in zich te doen blijven, is de roeping zijner discipelen, Joh. 8:31, 51, 15:7, 1 Joh. 2:24. Een andere meester is er niet, Mt. 23:8, 10, en hebben zij ook niet noodig. Zij hebben de zalving van den Heilige, n.1. Christus, ontvangen en weten alle dingen, 1 Joh. 2:20, zoodat bij hen aan geen Heidensche waarzeggerij en tooverij, aan geen spiritisme of occultisme, aan geen hiërarchische voogdijschap of onfeilbaar pausdom behoefte bestaat. Christus zelf onderwijst hen door zijn Woord en Geest, opdat zij allen, van God geleerd, profeten zouden zijn en de groote werken Gods verkondigen, Num. 11:29, Jer. 31:33, 34, Mt. 11:25—27, Joh. 6:45, Hebr. 8:10, 11, 1 Joh. 2:20. En Hij zet dit onderwijs voort, totdat zij allen gekomen zijn tot de eenigheid des geloofs en der kennisse van den Zone Gods, Ef. 4:13, 3:18v.

Op dezelfde wijze blijft Christus in de verhooging ook werkzaam als priester. In den brief aan de Hebreen x) treedt deze gedachte

') Verg. behalve verschillende commentaren op dezen brief ook nog de exegetische verhandelingen, boven bl. 474 genoemd.

Sluiten