Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortgezette zelfoffering en toewijding van Christus aan den Vader1).

Terecht is deze voorstelling echter door anderen bestreden, want bij het Oudtestamentisch offer zijn de verschillende verzoenende handelingen wel temporeel gescheiden, maar zij vormen toch één geheel; het is het bloed van het geslachte dier, dat door zijne uitstorting en bespreDging den offeraar van zijne zonde bevrijdde en herstelde in Gods gunst. In den brief aan de Hebreen wordt dienovereenkomstig, evenals in al de boeken des Nieuwen Testaments, de verzoenende kracht geheel en al toegekend aan de offerande, welke Christus op het kruis heeft gebracht; dat is de geheel eenige en volmaakte offerande, 7 : 27, 9 : 12, 26, 28, 10: 10, 12,14,13 :12, waardoor het nieuwe verbond is gesticht, 8:8 v., 9:15 v., de vergeving der zonden, 8: 12, 10:18, en alle andere weldaden, bepaaldelijk ook de vrije toenadering tot G-od, 4:16, 10:19, verworven zijn. Omdat Christus zich alzoo éénmaal aan het kruis heeft opgeofferd, kan Hij het zelfs voor de tweede maal niet meer doen, want evenals ieder mensch slechts eenmaal sterft, zoo is ook Christus' offerande in zijn dood voor geene herhaling vatbaar, 9:26—28. Deze volstrekt eenige waarde, door den brief aan de Hebreën aan den dood van Christus gehecht, sluit reeds uit, dat Hij nu in den hemel zich andermaal, of dat Hij daar eerst waarlijk zich offeren zou. Er wordt op de hemelvaart van Christus, op zijn ingang in het waarachtige hemelsche heiligdom door dezen brief wel sterke nadruk gelegd, evenals op zijne offerande aan het kruis. Maar men lette er wel op, dat de auteur van dezen brief nergens zegt, dat Christus met zijn bloed is ingegaan in den hemel, zooals de hoogepriester in het Oude Testament daarmede op den grooten verzoendag inging in het heilige der heiligen en het sprengde op en voor het verzoendeksel; maar hij zegt alleen, dat Christus door zijn bloed eenmaal in het heiligdom ingegaan is, 9 :12; Hij nam het aan het kruis vergoten bloed niet mede, om het te sprengen in het hemelsche heiligdom en er de verzoening door teweeg te brengen. Maar door middel van zijn bloed, op grond van de offerande aan het kruis, verwierf Hij zich het recht, om in den hemel in te gaan en te onzen behoeve voor Gods aangezicht te verschijnen. In het Oude Testament

TF. Milligan, The ascension and heavenly priesthood of our Lord. London 1892. (?. Milligan, The theology of the epistle to the Hebrews. Edinburgh 1899. Boedes, Jaarb. v. wet. Theol. 1846 bl. 293 v. 313 y. Seeberg, Der Tod Christi in seiner Bedeutung für die Erlösung 1895 bl. 14. 16 v.

Sluiten