Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijl Christus alzoo een eeuwig priester-koning is, heeft de gemeente op aarde geen priester meer noodig; alle geloovigen zijn priesters, Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, Op. 1:6. Geen offerande voor de zonde behoeft meer gebracht, ook geen onbloedige meer in de mis, want van de ééne offerande, aan het kruis volbracht, gaat in de voorbede van Christus, eene voortdurende sprake uit tot God, niet om wrake, als uit het bloed van Abel, maar om genade en vergeving, Hebr. 12 : 24. De voorbede van Christus is geen smeeking meer als in de dagen zijns vleesches 1), maar is de standvastige en genadige wil van Christus, Joh. 17 : 24, om op grond van zijne offerande al zijn volk tot de hemelsche zaligheid te leiden. Zoo is Christus onze eenige priester, die naar de ordening van Melchizedek eeuwig blijft, met zijne offerande voortdurend onze zonden bedekt, altijd bij den Vader als onze Paracleet optreedt, tegenover alle beschuldigingen van Satan, wereld en eigen hart onze partij opneemt, onze gebeden en dankzeggingen den Vader aangenaam maakt, steeds een vrijmoedigen toegang tot den troon der genade ons verzekert, en alle zegeningen der genade uit zijne volheid ons toekomen doet, Luk. 22:32, Joh. 14:16, 17: 9v., Eom. 1.7, 8 : 32v., 1 Cor. 1: 3, 2 Cor. 1:2, Ef. 1 : 3, 1 Tim. 4 : 8, Hebr.

7 : 25, 9 : 24, 1 Joh. 2 : 2.

En zoo is en blijft Christus ook onze eeuwige koning. Ofschoon V- ook tot dit ambt van eeuwigheid gezalfd, is Hij toch naar zijne menschelijke natuur eerst bij zijne verhooging als koning opgetreden. Toen ontving Hij den naam van Heer, werd tot Zone Gods verordineerd en ontving alle macht in hemel en op aarde. Koning is Christus in de eerste plaats over zijn volk, in het regnum gratiae, Ps. 2 : 6, Jes. 9:5, 11: 1—5, Luk. 1: 33, 19 : 21—23, 23 : 42, 43, Joh. 18 : 33, 19 :19; en Hij betoont dit koningschap daarin, dat Hij zijne gemeente vergadert, beschermt, regeert en tot de eeuwige zaligheid leidt, Mt. 16 : 18, 28 : 20, Joh. 10: 28. Maar omdat zijn koningschap een geheel ander karakter draagt dan dat van de vorsten der aarde, wordt Hij in het N. T. veel meer genoemd het

V 7, 15 v. Maccovius, Coll. theol. I 240 v. Jaarb. v. wet. Theol. IV 18 v. Weiss, Bibl. Theol. d. N. T. § 121. Scheeben, Dogrn. III 443 v. Simar, Dogm. § 112. Thalhofer, Handbuch der kath. Liturgik I2 1894 bl. 223—236. Stevens, Theol. of the New Test. bl. 506 v. Griffith Thomas, art. Priest in Hastings, Dict. of Christ II 416 v. Gr. Vos, The priesthood of Christ in the Epistle to the Hebrews, Princeton Theol. Review July 1907 bl. 423 447. x) Calvyn, Inst. III 20, 20.

Sluiten