Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de jejunio, de vita Christ. enz. Canon. Dordr. III IV 8 v. roeping, verlichting, wedergeboorte, geloof. Synopsis pur. theol., c. 30 v. de vocat., fide et persev., resip., justif., bonis operibus, libertate enz. Maccovius, Loei Oomm. c. 69 v. de justif. act., regen., fide, just. pass., bonis operibus (poenit., oratione). Mastricht, Theol. VI de natura applicationis, vocat., regen., convers., unione c. Christo, justif. adopt., sanctif., glorif. De Moor, Comm. IV 285 v. de fide et resip., de voc. efficaci, justif., sanctif., oratione, conservatione, regeneratione. M. Vitringa, Doctr. III de test. gratiae, de fide et resip., voc. et regen., justif., sanctif. enz.

Schleiermacher, Chr. Gl. § 106—112. Dorner, Chr. Gl. § 129—133. Ebrard, Dogm. II 305 v. Philippi, Kirchl. Gl. V 1 Die Lehre v. d. Heilsordnung. Frank, Syst. d. Christ. Wahrh. II2 310 v. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 2 bl. 296 v. 539 v. Kcihler, Die Wiss. d. Chr. Lehre 3 bl. 381 v. 414 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 26 v. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 569 v. Kaftan, Dogm. § 68. 69. H. Schultz, Der ordo salutis in der Dogm., Th. Stud. u. Krit. 1899 bl. 330—445. Max Koch, Der ordo salutis in der altluth. Dogm. Berlin 1899. Emil Wacker, Die Heilsordnung. Gütersloh 18982 1905. E. Weber, Der Einfluss der protest. Schulphilos. auf die luth. Dogm. Leipzig 1908, vooral bl. 102 v. A. Dieckmann, Die Ghristl. Lehre von der Gnade. Berlin 1901. Secberg, art. Heilsordnung in PRE3 VII 593-599.

410. Als Christus in den hemel zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid voortzet, dan volgt daaruit, dat ook de heilsorde, met al de weldaden, die daarin ter sprake komen, theologisch beschouwd moet worden. G-elijk God de Schepper en Regeerder aller dingen is, in Christus tegenover de zonde zichzelven handhaaft en al zijne deugden van gerechtigheid en genade, van almacht en wijsheid aan het licht brengt, zoo is Hij het ook, die door den Heiligen Geest de weldaden van Christus toepast, daarin zijn eigen werk tot stand brengt en zijne eigene eere verhoogt. De via salutis draagt daarom in de Schrift een eigen karakter; zij is, evenals de verlossing, principieel verschillend van die, welke in de godsdiensten der volken en in de stelsels der wijsbegeerte wordt aanbevolen. Daar is geen enkele godsdienst, waarin de gedachte der verlossing en van een weg, om haar deelachtig te worden, ten eenenmale ontbreekt. Kunsten en wetenschappen mogen machtige wapenen zijn in den strijd om het bestaan, en de cultuur moge bijdragen tot veraangenaming en verrijking van 's menschen leven; ze zijn toch alle onmachtig, om hem een duurzaam geluk, een eeuwig goed te verschaffen. En dat is het toch, wat de mensch steeds en overal in den godsdienst zoekt; deze komt bij hem op uit veel diepere behoeften, dan die door de wereld rondom hem heen bevredigd kunnen worden. Zijn hart is tot God geschapen en rust niet, voordat het ruste vindt in Hem. In zooverre ieder mensch meer of

Sluiten