Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ellende in het leven zelf bestaat, alleen gelegen in de dooding van de begeerte naar het zijn. En deze begeerte wordt alleDgs verdoofd en uitgebluscht, wanneer men het achtdeelige pad bewandelt en bepaaldelijk uit de buitenwereld zich in zichzelven terugtrekt ]). Maar hoe de opvatting van de zedewet en van hare volbrenging ook verschilt, het is toch altijd de mensch zelf, die zich verlossen moet. Weest uw eigen licht, zoo onderwees daarom Buddha zijne leerlingen, weest uw eigen toevlucht. Neemt niet tot iets anders uw toevlucht. Houdt vast aan de waarheid als een licht. Zoekt niet naar een toevlucht bij iemand anders dan bij u zelf2). Ook het Mohammedamisme, dat toch na het Christendom is ontstaan, draagt geene diepere opvatting van zonde en genade voor; het stelt de verlossing vooral in bevrijding van de helsche straf, welke de ongeloovigen treft, en laat de verlossing van de zonde als zonde daarachter ver terug treden. Wel bidt de Moslem om vergeving der zonden, maar deze wordt men vanzelf deelachtig, wanneer men zich bekeert, dat is, wanneer men gelooft aan de eenheid Gods en aan Mohammed als zijn profeet, en voorts de godsdienstplichten (gebed, aalmoes, vasten, bedevaart) volbrengt; de verlossing is geene gave Gods, maar eene eigene daad van den mensch 3). En met deze godsdiensten komen in grondgedachte de wijsgeerige stelsels overeen; de eenige weg ter zaligheid is het pad der deugd, de zedelijke zelfvolmaking. Men kan deze meer zoeken in practischen arbeid, in ascetische zelfverloochening of in mystieke contemplatie; het blijft altijd de mensch, die zich met inspanning van al zijne krachten naar boven zoekt te worstelen en zijne eigene zaligheid tracht uit te werken. In dien geest zeide Seneca: deorum esse munus quod vivimus, nostrum vero quod bene vivimus. Voor het bezit der deugd behoeft de mensch, naar Cicero's meening, Gode niet dankbaar te zijn, want om onze deugd worden wij met recht geprezen en op haar dragen wij rechtmatigen roem, wat het geval niet zou wezen, indien de deugd eene gave Gods ware en wij haar niet bezaten door onszelven. Heeft ooit iemand daarvoor den goden dank gezegd, dat hij een goed man was; num quis, quod bonus vir esset, gratias Diis egit nnquam 4)?

') Ib., II 89 v.

2) Oldenberg, aangehaald bij H. Bouivmcm, Boeddhisme en Christendom. Kampen 1906 bl. 62.

3) W. Knieschke, Die Erlösungslehre des Qoran 1910 bl. 34 v.

4) Cicero, de nat. deorum III 36, verg. Scholten, L. H. K. II 54.

Sluiten