Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G-ansch anders is de meening der Schrift. Reeds in liet O. T. is het God, die terstond na den val tusschen mensch en slang uit genade vijandschap zet en den mensch aan zijne zijde overbrengt, Gen. 3: 15, die Abraham en het uit hem geboren volk van Israël ten eigendom verkiest, Gen. 12 : 1, Ex. 15 :13, 16, 19 : 4, 20 : 2, Deut. 7:6 v., die er het verbond mede opricht en er zijne wetten aan schenkt, Gen. 15:1, 17:2, Ex. 2:24, 25, Deut. 4:5 13, die het bloed op het altaar ter verzoening geeft, Lev. 17 : 11, en alles aan zijn wijngaard te koste legt, Jes. 5, Jer. 2: 21. Maar krachtens die verkiezing en op den grondslag van dat verbond is het volk nu ook verplicht, om, op straffe van den vloek der wet, Deut. 27:6, voor Gods aangezicht in oprechtheid te wandelen en zijne geboden te onderhouden, Gen. 17 :1, Ex. 20, Deut. 10: 15, 16 enz. De bondsbetrekking hing niet van die wetsonderhouding, als eene voorafgaande voorwaarde, af; zij was geen werkverbond, maar rustte alleen op Gods verkiezende liefde. Doch zij moest toch in den wandel naar 's Heeren wet haar bewijs en zegel ontvangen. Immers kon zij van Israels zijde niet met een volkomen hart aanvaard en dus in Israël niet tot waarachtige werkelijkheid worden, dan door zulk een geloof, dat tevens liefde en lust had, om in den weg des verbonds te wandelen. Het verbond sluit, indien het geene idee, maar realiteit is, de verplichting en de neiging in, om naar den eisch des verbonds te leven. Maar daarom spreekt het ook vanzelf, dat het volk tegenover het verbond en zijne wet eene zeer verschillende houding aannemen kon. Er waren antinomistische goddeloozen, \oorloopers der Sadduceën, die zich om God noch zijn gebod bekommerden, en met de vromen den spot dreven, Ps. 14 . 2, 36 : 2, 42 : 4, 11, 94 : 2, Mal. 2 :17, 3 :14 ; er waren farizeeschgezinden, die op uitwendige onderhouding der wet den nadruk legden en daaraan de gerechtigheid en de zaligheid verbonden, Am. 6.1, Jer. 7:4. Tusschen deze beiden in stonden de weinige getrouwen, de oprechte vromen, die geenszins onverschillig waren voor s Heeren wet, integendeel haar bepeinsden den ganschen dag en liefhadden met heel hunne ziel, maar die toch van hare onderhouding hun gerechtigheid en zaligheid niet afhankelijk lieten zijn. Want al is het, dat «ij zich menigmaal zeer sterk op hunne gerechtigheid beroepen, en God oproepen, om hun recht te doen, Ps. t :9, li .lv., 18 : 21., 26 : lv., 35 : 34, 41:13, 44 :18, 21, 71: 2, 119 :121, 2 Kon. 20:3, Job. 16:17, Neh. 5:19, 13:14 enz., toch doen diezelfde

Sluiten