Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

personen tegelijk ootmoedig belijdenis van hunne zonden, roepen Gods vergeving in en pleiten op zijne genade, Ps. 31:10, 11, 32: lv., 38: '2v., 40:13, 41:5, 130:3, 5, Jes. 6 :5, 53:4, 64:6, Jer. 3:25, Mich. 7 :9, Neh. 1:6, 9:33, Dan. 9: 5^ 7, 18 enz. De gerechtigheid dezer vromen is geene persoonlijke qualiteit, maar eene eigenschap der zaak, die zij voorstaan ; zij hebben het recht aan hunne zijde, omdat zij zich verlaten op God 1). Dit vertrouwen op God is het wezenlijk, wat in het O. T. de rechtvaardigen tot rechtvaardigen maakt; zij gelooven aan God, -jriNn, Gen. 15:6, Ex. 14:31, 2 Chr. 20:20, Jes. 28:16, Hab. 2:4, vertrouwen op Hem, naa, Ps. 4:6, 9 : 11, nemen tot Hem de toevlucht, ncn, Ps. 7:2, 18: 3, vreezen Hem, nt>, Ps. 22 :24, 25:12, hopen op Hemr brr, 'rm-, Ps. 31:25, 33:18, verwachten het van Hem, rn-, Ps. 25 : 21, verbeiden Hem, nsn, Ps. 33: 20, steunen op Hem, "pno,. Ps. 172 :8, -p::, Ps. 57 :8, hangen Hem aan, pai, ~"dn, Ps. 91:14r 2 Kon. 18:6 enz. Dit geloof wordt tot gerechtigheid gerekend r Gen. 15 : 6, gelijk elders het houden van Gods geboden gerechtigheid heet, Deut. 6 : 25, 24 : 13.

Dat nu deze subjectieve gerechtigheid, die wezenlijk in vertrouwen op God bestaat, ook eene vrucht van Gods genade en eene werking zijns Geestes is, treedt uit den aard der zaak in het O. T. nog niet zoo duidelijk aan het licht. Maar toch ontbreken ook hiervoor de gegevens niet. Van eene eigene gerechtigheid is er bij Israël nooit sprake ; het is verkoren niettegenstaande zijne hardnekkigheid, Deut. 9 :4—6. God is de bron van alle leven en licht, van wijsheid, kracht, zaligheid, Deut. 8:17, 18, Ps. 36 :10, 68:20, 21, 36, 73 :25, 26, Jer. 2: 13, 31. Niet ons, maar Uwen naam geef eere, is het gebed van Israels vromen, Ps. 115 : 1; ootmoed is de stemming hunner ziel, Gen. 32 :10, Ps. 116 :12, een gebroken en verslagen hart zijn Gode aangenaam, Ps. 51:19, Jes. 57 : 15. Niet den mensch, maar Gode wordt altijd alle gave toegeschreven en voor alles de dank gebracht; alles wordt opgeroepen, om Hem te loven; alles wordt in den gebede van Hem begeerd, niet alleen redding uit gevaren, maar ook kennis van Gods wet, verlichting der oogen enz. God is het tóch, die zich ontfermt diens Hij wil, Ex. 33:19, en in zijn boek schrijft, wie leven zal, Ex. 32 :33. Hij belooft, zonder eenige voorwaarde, dat Hij hun God en zij zijn volk zullen zijn, Ex. 19 :6, Lev. 26: 12, en dat Hij altijd weer na

') Verg. deel II 221 v.

Sluiten