Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daartegen hun woord nog wel uitgaan, maar toen de stem der profetie zweeg, zette de nomistische richting zich ongehinderd voort. De waarachtige en levende God, die zich alle eeuwen door aan Israël had geopenbaard, trad achter zijne wet terug ; en die wet werd meer en meer het ééne groote voorrecht van Israël en het middelpunt van zijn leven. Door de verdrukking en vervolging, waaronder het telkens te lijden had, werd deze gedachte versterkt. •God hield zich van verre ; Hij gaf zijn volk om hunne ongerechtigheden aan de Heidenen over; eerst in de toekomst zou Hij zich hunner weer ontfermen en door den Messias hen verheffen boven alle volken en hen stellen aan de spits der natiën. Zoo bleef de Messiasverwachting wel onder Israël leven en ontwaakte ze dikwerf in druk met fanatische kracht. Maar van dien Messias werd niet in de eerste plaats de verzoening der zonden en de oprichting van een nieuw verbond verwacht, doch allereerst richtte de hoop zich daarop, dat Hij aan Israël recht zou doen, het van allen druk bevrijden en zijne heerschappij herstellen zou over alle volken der aarde.

Voor die komst van den davidischen Koning had Israël zich daarom voor te bereiden door strenge onderhouding der wet. Op allerlei wijze werd deze wet verheerlijkt; ze werd vereenzelvigd met de hemelsche, eeuwige wijsheid, die als de eersteling zijner werken van God uitging, en met welke als zijne geliefde dochter Hij zelf voortdurend zich bezig houdt. Omdat zij dies de volkomene heilsopenbaring was, zou zij ook eeuwig blijven bestaan ; de andere boeken des Ouden Testaments nemen eene lagere plaats in en gaan eens voorbij, maar de wet blijft van geslacht tot geslacht, zij is bron van alle heil en fontein van het eeuwige leven. •Ofschoon de mensch na den val alleen nog door Gods barmhartigheid voortleeft en Israël, na de schrikkelijke zonde, waaraan het zich in de woestijn schuldig maakte, Ex. 32, zijn bestaan alleen aan Gods genade te danken heeft, toch heeft het daarom nu des te meer de verplichting en bezit het ook de kracht, om door de onderhouding der wet zich de gerechtigheid te verwerven. Alle daden der menschen en bepaaldelijk van de kinderen Israels worden door God afgewogen naar de wet; Hij teekent ze op in zijn boek, maakt iederen dag het oordeel op, en stelt er het loon of de straf voor vast. De goede werken, door den mensch verricht, zijn eene gave aan God, en verplichten Hem tot eene wedergave; God en mensch zijn twee contracteerende partijen; naar de verhouding van werk en loon gaat alles in de wereld toe, niet alleen in het leven

Sluiten