Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den enkele, maar ook in de geschiedenis der familiën, der geslachten, der volken, der menschheid; al Gods doen, van het begin tot het einde der wereld, berust op de verdiensten van den mensch. Voor verzoening der zonden in den Bijbelschen zin van het woord blijft er in dit stelsel geene plaats over; er kan alleen in zooverre nog sprake van zijn, als bekeering, geloof, schuldbelijdenis, (die alle weder als een werk naast andere werken worden opgevat), zelfkastijding, vasten, gebed, aalmoezen, barmhartigheid, wetsstudie, martelaarschap enz., iemand in den stand van rechtvaardige opnemen of herstellen kunnen. Bovendien kan het gebrek in de eigen gerechtigheid door die van anderen (hetzij van de aartsvaders, Mozes, Jozua, David, of ook van nog levende personen) aangevuld worden ; zelfs de dooden hebben nog voordeel van de goede werken der levenden. Er zijn dus vele middelen, om de verzoening te verkrijgen en de gerechtigheid deelachtig te worden, maar alle komen ze neer op onderhouding der wet en van al hare, dikwerf fijn uitgesponnen, geboden.

Dit consequente nomisme kweekte in de Joden tweeërlei stemming. Wanneer zij, zooals inzonderheid bij vele Farizeën het geval wasr al dan niet in subjectieve oprechtheid, meenden, de gansche wet te hebben vervuld, vervielen zij tot geestelijken hoogmoed en deden zij bij God hunne rechten gelden op loon, Mt. 19:20, Luk. 18:11. Maar bij anderen wekte het nomisme de overtuiging, dat de gerechtigheid in den weg der werken niet bereikt kan worden. Al naarmate men aan het einde van een dag over zichzelven al of niet tevreden was, moest men zich tot de rechtvaardigen of tot de goddeloozen rekenen; tot zekerheid des heils kwam men langs dezen weg nooit; er werd geene vreugde in God gesmaakt en geen troost en vrede in zijne gemeenschap; heel het leven door bleef men, met vreeze des doods, der dienstbaarheid onderworpen, Hebr. 2 :15. Naarmate de wet dieper opgevat en hare vervulling ernstiger nagestreefd werd, deed zij zich te meer gevoelen als een juk, hetwelk de Joden niet konden dragen, Hd. 15:10. Het vierde boek van Ezra gaf hier uitdrukking aan, als het zeide: wij, die de wet ontvangen hebben, moeten toch vanwege onze zonden verloren gaan *).

i) Bij Loofs, Dogmengesch.4 bl. 59. Verg. verder over het nomisme der Joodsche religie, behalve de boven reeds genoemde werken, Schürer, Gesch. des jüd. Yolkes 3 II 450 v. W. Staerk, Neut. Zeitgesch. 1907 II5 v. Feiten, Neut. Zeitgesch.

Regensburg 1910 II 463 v. enz. De verhouding van het tegenwoordige Jodendoin

tot de wet wordt besproken door Strack, Das Wesen des Judentums. Leipzig 1906.

Sluiten