Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men moet dezen toestand van het Jodendom in Jezus' dagen kennen, om zijne prediking van het Evangelie des koninklijks in haar rijke vertroosting eenigermate te verstaan. Dat koninkrijk wordt eenerzijds wel voorgesteld als een schat, die in de hemelen bewaard en als een loon aan de rechtvaardigen uitgedeeld wordt, Mt. 6 . 20, 13 :43, 19 : 21, 25 : 46. Om het in de toekomst, als het ten volle geopenbaard zal worden, te ontvangen, is eene andere, betere gerechtigheid dan die der Farizeën van noode, Mt. 5:20; het moet vóór alle dingen gezocht, Mt. 6:33, en ten koste van alles gekocht worden, Mt. 13:44—46, 19:21, Mk. 9:43—47, 10: 28, 29. Maar het is toch een gansch ander rijk, dan de Joden zich toenmaals voorstelden. Het is niet politiek, maar geestelijk van aard, gelijk Jezus zelf het als zoodanig van den beginne aan aanvaardde en in de verzoeking staande hield, Mt. 4 :1—10 ; geestelijke eigenschappen zijn het, zooals reinheid van hart, zachtmoedigheid, barmhartigheid, nederigheid euz., die zijne burgers kenmerken, Mt. 5: 3v., 18 : 4, 20:26, 27; het is daarom universeel, niet alleen voor de Joden, maar voor alle volken bestemd, Mt. 8:11, 21:43. Ook verschijnt het niet eerst in de toekomst, maar het is thans reeds aanwezig, Mt. 11:12, 12 : 28, Luk. 17 : 21, en ontwikkelt zich en breidt zich uit als het zaad en het zuurdeeg, Mt. 13:24v.; wie het hier in het geloof, als een kindeke, ontvangt, die zal daar ingaan in de toekomst, Mk. 10 :15.

In eschatologischen zin heet het koninkrijk dus wel een loon, maar werk en loon staan hier in geene verhouding; het koninkrijk gaat in waarde alles zoo ver te boven, dat alle denkbeeld van loon vervalt, Mt. 19:29, 20:13-15, 25:21, Mk. 10:30, vooral Luk. 17:10. De gerechtigheid, die vereischt wordt, om in het koninkrijk in te gaan, is zelve een goed, dat God schenkt, Mt. 6:33, evenals ook de vergeving der zonden, Mt. 26 :28, Luk. 1: 77 24' 47 enz., en het eeuwige leven, Mk. 10:30, Luk. 18:30. En' Hij schenkt dat koninkrijk met al zijne goederen niet aan de rechtvaardigen, maar aan de tollenaren en zondaren, Mt. 9:13, aan de verlorenen, Mt. 18:11, aan de armen enz., Mt. 5, aan de kinderkens, Mt. 18 : 3, Mk. 10:15 ; hunner is reeds op aarde het koninkrijk der hemelen, Mt. 9 :15, 11:11, 13 :16, 17, 23 :13, Mk. 10:15, Luk. 17:21. Om dat koninkrijk deelachtig te worden is dus geen eigen gerechtigheid noodig, maar alleen bekeering, utzavoia, resipiscentia, mentis mutatio, zinsverandering, en geloof, mang, d. i. het aannemen van en vertrouwen op het Evangelie van het koninkrijk

Geref. Dogmatiek III.. „ „

Sluiten