Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geest, Hd. 2 : 4. Dezelfde uitdrukking komt ook reeds vroeger voor, Ex. 31:3, Mich. 3:8, Luk. 1:41, maar er is toch een duidelijk onderscheid in de zaak, die er door uitgedrukt wordt. Terwijl de Heilige Q-eest vroeger aan enkele, op zichzelf staande personen, en tijdelijk voor een bepaald doel geschonken werd, daalde Hij thans op alle leden der gemeente neer en blijft van nu voortaan in hen allen wonen en werken. Evenals de Zone Gods wel meermalen in de dagen des Ouden Testaments op aarde verscheen, doch eerst bij de ontvangenis in Maria's schoot de menschelijke natuur zich ter woning verkoos, zoo was er ook vroeger wel allerlei werkzaamheid en gave des Heiligen G-eestes ; maar eerst op den Pinksterdag maakt Hij de gemeente tot zijn tempel, dien Hij voortdurend heiligt en opbouwt en nimmermeer verlaat. De inwoning des Heiligen Geestes geeft aan de gemeente van Christus een zelfstandig bestaan; zij is thans niet meer in het volksbestaan van Israƫl en binnen de grenzen van Palestina besloten, maar zij leeft thans 'zelfstandig door den Geest, die in haar woont, en breidt zich over de gansche aarde en tot alle volken uit. Uit den tempel op Sion gaat God door zijn Geest thans wonen in het lichaam der gemeente van Christus, die daardoor op dezen zelfden dag geboren wordt als zendingskerk en wereldkerk. De hemelvaart van Christus heeft noodzakelijk ten gevolge en bewijst tevens hare waarachtigheid in de nedervaart des Heiligen Geestes. Gelijk deze eerst den Christus door het lijden heen geheiligd, volmaakt, tot de hoogste hoogte opgevoerd heeft, zoo behoort Hij thans op dezelfde wijze en langs denzelfden weg het lichaam van Christus te vormen, totdat het zijn vollen wasdom bekomt en de vervulling, het pleroma, uitmaakt van Hem, die alles in allen vervult.

Deze uitstorting des Heiligen Geestes ging in den eersten tijd bij de discipelen van Christus van allerlei buitengewone krachten en werkingen vergezeld. Zoodra zij op den Pinksterdag met den Heiligen Geest vervuld werden, begonnen zij te spreken in andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken, Hd. 2:4. Volgens de beschrijving van Lukas hebben wij hierin niet met een hoor-, maar met een spreek- of taalwonder te doen. Lukas was een mede-arbeider van Paulus en kende de glossolalie, gelijk deze bijv. in de gemeente te Corinthe voorkwam, zeer goed; hij spreekt daar ook zelf van in Hd. 10:46, 47 en 19:6. Zonder twijfel was het verschijnsel, dat op den Pinksterdag plaats had, verwant aan de glossolalie, want anders had Petrus niet kunnen zeggen, dat Cornelius en de zijnen

Sluiten