Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 Cor. 12 :1—-7, Gal. 2 :2 enz. Hij wist zich in het bezit van de gave der kennis, der leering, der glossolalie en profetie ; hij predikte in betooning van geest en kracht, 1 Cor. 2:4, en Christus werkte door hem, tot gehoorzaamheid der Heidenen, met woorden en werken, door kracht van teekenen en wonderen, door de kracht des Heiligen Geestes, Rom. 15: 18, 19, 2 Cor. 12 :12. En soortgelijke gaven werden ook aan andere geloovigen geschonken; in 1 Cor. 12:8—10, Rom. 12 : 6—-8 noemt de apostel er verscheidene op, en hij zegt ervan, dat ze in verschillende mate door een en denzelfden Geest werden uitgedeeld, en aan een iegelijk in het bijzonder geschonken werden naar zijnen wil. Ze zijn eene vervulling van de belofte, die reeds in het Oude Testament is geschied, Gal. 3 :14, en zijn te beschouwen als eerstelingen, die een grooten oogst waarborgen, en ten onderpand verstrekken van de toekomstige, hemelsche erfenis, Rom. 8 : 23, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:14, 4 : 30.

Hoe hoog de apostel al die gaven nu ook schatten moge, hij legt aan alle den maatstaf aan, dat ze moeten overeenkomen met de belijdenis van Jezus als den Heer, 1 Cor. 12 :3; hij komt er tegen op, dat ze misbruikt worden tot zelfverheffing en verachting van anderen, en eischt, dat ze van harte en gewillig ten nutte van den naaste worden aangelegd, want alle geloovigen zijn leden van één lichaam en hebben elkander van noode, 1 Cor. 12:12—30; hij maakt daarom onderscheid in de gaven, naarmate ze dienen tot stichting der gemeente, 1 Cor. 12: 7, 14:12, stelt om die reden de glossolalie ver beneden de profetie, 1 Cor. 14, en raadt alle geloovigen aan, om te streven naar de beste gaven, waarbij de liefde de uitnemendste weg is, want zonder haar zijn alle gaven waardeloos, 1 Cor. 12:31v. Daarmede verlegde de apostel het zwaartepunt uit de tijdelijke en voorbijgaande openbaringen des Geestes in die geregelde werkzaamheden van godsdienstigen en zedelijken aard, welke de Heilige Geest voortdurend in de gemeente uitoefent. In het Oude Testament werd daarop soms reeds de nadruk gelegd, want ofschoon aan den Geest Gods allerlei buitengewone gaven en krachten werden toegeschreven, Hij is toch ook en zal vooral in de toekomst zijn de werkmeester van alle waarachtig, geestelijk en zedelijk leven, Ps. 51:13, 143:10, Jes. 32: 15, Ezech. 36:27. Jezus sluit zich daarbij aan, als Hij in het gesprek met Nicodemus zegt, dat er geen toegang is tot en geen deelgenootschap aan het koninkrijk der hemelen dan door de wedergeboorte, en dat deze wedergeboorte alleen bewerkt kan worden door den Geest Gods, Joh. 3:3, 5. En in de afscheidsredenen

Sluiten