Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zet Hij in den breede uiteen, dat de Heilige G-eest straks zijne plaats zal innemen, en dat Hij dan voortaan hun trooster, hun leidsman, hun voorspraak en zaakwaarnemer zal zijn, Joh. 14—16.

Al gingen daarom in den eersten tijd met de uitstorting des Q-eestes vele buitengewone krachten gepaard, die door allen gewaardeerd en door sommigen overschat werden, wij mogen toch niet uit het oog verliezen, dat diezelfde overvloedige mededeeling des G-eestes in vele godsdienstige en zedelijke deugden openbaar werd. De discipelen van Christus werden er allen op de innigste wijze door saamverbonden tot ééne zelfstandige, heilige gemeente. Zij volhardden in de leer der apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden, Hd. 2:42. Zij waren één hart en ééne ziel, en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen ware, maar zij hadden alle dingen gemeen, Hd. 4:42. Door dien Geest kregen zij vrijmoedigheid, om het woord te spreken, werden zij gesterkt in hun geloof, in de verdrukking vertroost en verblijd, Hd. 4:8, 31, 6:5, 9:31, 11:24, 13:25 enz. En in de andere gemeenten treedt dit, blijkens de brieven der apostelen, nog veel duidelijker aan het licht. De Heilige Geest is het, die de innigste gemeenschap tusschen Christus en zyne gemeente en tusschen alle geloovigen onderling tot stand brengt. AVel is Hij van Vader en Zoon onderscheiden, een andere trooster Joh. 14:16, die naast beiden afzonderlijk genoemd wordt, Mt. 28 :19, 1 Cor. 12 : 4, 2 Cor. 13 :13, Op. 1: 4. Maar Hij is ook één met hen in wezen, en kan de geloovigen daarom ten volle in hunne gemeenschap opnemen en al hunne weldaden deelachtig maken.

Zijne werkzaamheid bestaat dus volstrekt niet uitsluitend noch ook hoofdzakelijk in het mededeelen van buitengewone gaven en krachten, en zelfs niet alleen in het schenken van de weldaden van Christus, afgezien van zijn persoon. Wanneer Christus door zÜn lijden en sterven alleen de vergeving der zonden had verworven, dan ware het genoeg, dat de H. Geest de verkondiging van dit Evangelie bekrachtigde, Joh. 15:26, 27, Hd. 5:32, 1 Cor. 2 : 4, 2 Cor. 4:13, 1 Thess. 1:5, 6, 1 Petr. 1:12, de wereld van ongelijk overtuigde, Joh. 16:8—11, het geloof in de harten werkte, 1 Cor. 2:5, 12 : 3, Ef. 1:19, 20, 2 : 8, Col. 2 :12, Phil. 1: 29, 1 Thess. 2:13, en de geloovigen van hun kindschap verzekerde, Rom. 8:15, 16. Maar deze objectieve, rechterlijke weldaad der vergeving is de eenige niet; zij wordt door de ethische en mystische weldaad der heiligmaking gevolgd. Christus neemt de schuld der zonde niet alleen weg, maar breekt ook hare macht. Hij is, één

Sluiten