Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij worden uit genade behouden, niet uit de werken, krachtens Gods wil, door Jezus Christus ').

Dezelfde gedachten treffen wij na de apostolische vaders ook bij de apologeten aan. Al leggen zij tegenover de gnosis er vooral den nadruk op, dat in Christus de ware kennis en wijsheid, de echte philosophie, is geopenbaard, zij vergeten toch niet, dat Christus ook zaligmaker en verlosser is. Inzonderheid komt dit bij Justinus uit; niemand wordt zalig dan door de verdiensten van Christus, die den vloek op zich nam en voor allen voldeed, die allen verlost, welke boete doen en gelooven 2); zelfs spreekt hij herhaaldelijk van eene genade, die aan onze werken voorafgaat, ons verlicht en leidt tot het geloof3). Veel inniger bindt Irenaeus nog de zaligheid aan het geloof in Christus 4), en zegt ook, dat de H. Geest gezonden is, om den wil des Vaders in menschen uit te werken en hen te vernieuwen, en dat die Geest noodig is als de regen en de dauw, om het land vruchtbaar te maken B). Zelfs getuigt Origenes, dat de wil des menschen uit zichzelven onbekwaam is, om zich te bekeeren, nisi divino vel juvetur vel muniatur auxilio. God is prima et praecipua causa operis 6). Nog sterker wordt de zedelijke verdorvenheid van den mensch en de noodzakelijkheid van de genade des H. Geestes uitgesproken door de Latijnsche patres, Tertullianus, Cyprianus, Ambrosius, op wier uitspraken Augustinus zich dan ook beroept 7). Zoo zegt eerstgenoemde: haec erit vis divinae gratiae, potentior utique natura, habens in nobis subjacentem sibi liberam arbitrii potestatem 8). Van Cyprianus zijn de door Augustinus telkens aangehaalde woorden: in nullo gloriandum quando nostrum nihil sit 9). Ambrosius kent reeds eene inwendige genade, die inwerkt op den wil en hem voorbereidt: a Deo praeparatur voluntas hominum; dat God door de heiligen vereerd wordt, is Gods genade 10).

') Polycarpus 1.

2) Justinus, Dial. c. 95. 100.

3) Justinus, Dial. c. 119. Apol. I 10.

4) Irenaeus, adv. haer. IV 2, 7. V 19, 1.

5) Irenaeus, adv. haer. III 17. V 10, 2. *) Origenes, de princ. III 1, 18. 2. 5.

^ Augustinus, c. duas epist. Pelag. IV 8—10.

8) Tertullianus, de anima 21.

9) Cyprianus, Test. III 4.

10) Ambrosius, in Lucam I 10.

Sluiten