Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

416. Maar daarmede is de verwerping van het semipelagianisme bij Rome ook geëindigd; langs een omweg wordt het toch weer binnengehaald. Ten eerste toch leert Rome, dat de wilsvrijheid door de zonde verzwakt maar niet verloren is r)] de mensch kan zonder genade vele natuurlijk en burgerlijk goede werken doen, die volstrekt geen zonde zijn; hij kan Grod als Schepper kennen en liefhebben, een eerbaar leven leiden; en al valt het moeilijk, op den duur de gansche wet te onderhouden en alle verzoekingen weerstand te bieden, op zichzelf is het toch niet onmogelijk. De homo naturalis is op zichzelf een compleet mensch 2). Ten tweede wijkt Rome daarin van Augustinus af, dat het de gratia praeveniens opvat als eene genade, die wel het vermogen schenkt, om te gelooven, maar niet het gelooven zelf. Integendeel, aan ieder volwassene; die onder het Evangelie leeft, wordt de gratia praeveniens (actualis) geschonken, maar het staat in de macht van den mensch, om deze aan te nemen of te verwerpen. Hoe etiam secundum fidem catholieam credimus, zeide de synode te Orange, quod

Pesch, Prael V 22 v. Caesare, Theol. dogm. III 235. Jansen, Theol. III 123—135. Mannens, Theol. III 12—16 enz. Eenigszins nader toegelicht, liep de vraag hierover: eenerzijds verwierp men eenparig het gevoelen van Lombarclus, Sent. I dist. 17, 18, dat de genade met de liefde en deze wederom met den H. Geest vereenzelvigde; andererzijds vond ook de meening van Dechamps (bij Heinrich t. a. p. VIII 23), dat de genade in illuminatio mentis bestond en niet in inspiratio voluntatis, wijl de wil steeds het verstand volgt, weinig ingang; de genade was dus volgens allen illuminatio mentis en inspiratio Voluntatis. Maar ging de genade nu geheel en al in die illuminatio mentis en inspiratio voluntatis op en viel ze daarmede volkomen samen? Werd deze illuminatio mentis en inspiratio voluntatis rechtstreeks en onmiddellijk door den H. Geest in 4en mensch teweeggebracht? Of stond er als het ware tusschen beide nog iets anders in, stortte de H. Geest eerst in den mensch eene qualitas physica et supernaturalis, non habitualis sed fluens, in, waarvan de illuminatio mentis en inspiratio voluntatis dan het gevolg is? Het laatste gevoelen is dat der Neo-Thomisten, en wTordt bijv. aangenomen door Heinrich—Gutberlet, Caesare t. a. p.

Voorts kan men over de leer der genade bij Rome, behalve de reeds boven genoemde werken, nog raadplegen: Karl Heim, Das Wesen <Ser Gnade und ihr Verhaltnis zu den natürliehen Funktionen des Menschen bei Alexander Halesius. Leipzig 1907. Glossner, Die Lehre des h. Thomas vom Wesen der Gnade. Mainz 1871. Notton, Harnack und Thomas von Aquin. Eine dogmengesch. Studie itber die Gnadenlehre. Paderborn. P. Minges, Die Gnadenlehre des Duns Skotus auf ihrem angeblichen Pelagianismus geprüft. Münster 1906.

x) Synode van Orange 529 bij Denzinger, Enchir. n. 144 v. Conc. Trid. VI c. 1 en can. 5.

2) Verg. deel II 576 v.

Sluiten