Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Roomsche leer komt daarom hierop neer: de in de kerk geboren kinderen ontvangen in den doop de wedergeboorte (justificatio, gratia infusa), maar zij, die op later leeftijd het Evangelie hooren, ontvangen de gratia sufficiens, die in eene verlichting des verstands en eene versterking van den wil door den H. Q-eest bestaat. De mensch kan deze genade verwerpen, maar hij kan ze ook toestemmen. Indien hij ze toestemt, gaat de gratia excitans in de gratia adjuvans of cooperans over; de mensch werkt met haar mede, om zich voor de justificatio (gratia infusa, habitualis) voor te bereiden. Deze voorbereiding bestaat in de volgende zeven momenten, dat de mensch, door Gods genade geholpen, Gods Woord gaat gelooven, gaat inzien dat hij een zondaar is, hope krijgt op Gods barmhartigheid, Hem begint lief te hebben, de zonde begint te haten, zich voorneemt zich te laten doopen en een nieuw leven te leiden 1). Het geloof neemt hier geene centrale plaats in, maar is met de zes andere praeparationes ad gratiam justificantem gecoördineerd; het is dan ook niets anders dan eene toestemming van de waarheid des Christendoms, d. i. van de leer der kerk (fides informis) en krijgt zijne rechtvaardigende kracht eerst door de liefde (fides caritate formata), welke in de gratia infusa meegedeeld wordt; op zichzelf en alleen genomen, kan het niet rechtvaardigen, maar heet het alleen rechtvaardigend geloof, wijl het humanae salutis initium, fundamentum et radix omnis justificationis, d. i. de eerste der bovengenoemde praeparationes is. Als de mensch zich nu alzoo voorbereid en gedaan heeft quod in se est2) — hetzij dit besta in het goed gebruik zijner door de genade ondersteunde 3), of ook van zijne natuurlijke krachten 4), — kan God hem de gratia infusa niet weigeren. Wel heeft de mensch door die voorbereiding deze genade niet verdiend, want zij gaat haar in waarde verre te boven; maar het is toch billijk, dat God dengene, die zoo zijn best doet, naar een meritum de congruo met de gratia

219. Schcizler, Neue Unters. über das Dogma v. d. Gnade. Mainz 1867 bl. 87 v. Pohle, Dogm.4 II 458 v Manzoni Caesare, Compendium Theol. dogm. III 1909 bl. 261 v. enz.

') Conc. Trid. VI c. 6.

2) De stelling: si homo facit, quod in se est, Deus dat ei gratiam, komt zakelijk al bij Hieronymus voor, Loofs, Dogmengesch.4 545.

3) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 6 ad 2. qu. 112 art. 3.

4) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 98 art. 6. Verg. voorts Theol. Wircéb., VII 288. Dens, Theol. II 209. Pesch, Prael. V 114—120.

Sluiten