Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbreking des harten voorafgegaan wordt; maar zakelijk is Luthers leer altijd dezelfde gebleven, contritio (poenitentia in enger zin), fides en bona opera zijn de drie deelen der via salutis 1). Deze voorstelling is ook die der Lnthersche belijdenisschriften 2), en der eerste dogmatici, Brenz, Strigel, Chytraews e. a. tot Gerhard toe; de heilsorde werd in deze drie loei afgehandeld.

Nu was Luther bij deze heilsorde in den eersten tijd steeds uitgegaan van de absolute praedestinatie, en ook later heeft hij ze nooit herroepen 3), al legde hij tegenover het misbruik, dat van deze leer gemaakt kon worden, meer en meer den nadruk op de openbaring Gods in Christus en op de algemeene aanbieding des heils in het woord des Evangelies. Maar Melanchton voelde sedert 1527 tegen de belijdenis der absolute praedestinatie hoe langer hoe meer bezwaar, en nam toen met steeds grooter beslistheid het synergistisch standpunt in. In zijn commentaar op de Romeinen wees hij reeds alle onderzoek vaa de verkiezing af, wijl Gods belofte algemeen was en Hij uitdrukkelijk wilde, dat alle menschen zouden zalig worden. In de tweede omgewerkte uitgave der Loei Communes, welke in 1535 het licht zag, verklaarde hij, dat er bij de bekeering tres causae samenwerken, Verbum Dei, Spiritus ethumana voluntas assentiens nee repugnans verbo Dei; en in de editie van 1543 haalde hij met instemming het woord van anderen aan, dat de vrije wil in den mensch bestond in de facultas applicandi se ad gratiam 4). Ook de Formula Conoordiae durfde de belijdenis der vrije en onvoorwaardelijke verkiezing niet meer aan; ze verwierp wel met beslistheid de leer, dat de wil uit eigene, natuurlijke krachten zich naar de genade schikken kon 5); zij sprak ook haar geloof aan de praedestinatie en de onmacht des menschen uit, zoodat hij is deterior lapide aut trunco en de bekeering pure passive ondergaat 6); maar daarnaast houdt zij niet minder sterk de universali-

•) Verg. voorts Köstlin, Luthers Theol. I 36. 72. 159. 368. II 75. 493. 496 v., en art. in PEE3 III 584—591. Sieffert, Die neuesten theol. Forschungen über Busse und Glauben. Berlin 1896. Galley, Die Busslehre Luthers und ihre Dar.stellung in neuester Zeit. Gütersloh 1900. Loofs, Dogmengesch.4 bl. 719 v. 790.858.

2) J. T. Miiller, Die Symb. Bücher der ev. luth. K. 1882 bl. 41.167. 312. 534. 634.

*) Verg. reeds deel II 365 en voorts Loofs, Dogra.4 bl. 755 v. 761 v.

4) Melanchton, Loei Communes, in den locus de libero arbitrio; in de editie van het Oorpus Doctrinae christianae. Lips. 1561 bl. 346. 347.

5) Miiller, Die Bekenntnisschriften der ev. Luth. K. bl. 607. 608. 713.

6) Miiller, t. a. p. bl. 589. 594 705.

Sluiten