Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teit en de resistibiliteit der genade staande r), en tracht dan tusschen beide de verzoening daarin te vinden, dat de mensch nog behouden heeft capacitatem non activam sed passivam, nog ter kerk kan gaan enz., en vooral daarin, dat hij nog patitur (en pati potest), ut Deus in se operetur 2). Later werd dit in de Luthersche theologie gewoonlijk zoo uitgewerkt, dat God aan allen, die onder het Evangelie leven, in den doop of door de prediking des Woords eene gratia sufficiens (motus bonos icevitabiles, irresistibiles) schenkt, waardoor de wil des menschen zoo bevrijd en vernieuwd wordt, dat hij óf alleen niet-weerstaan, Gods genade in zich tot wedergeboorte en bekeering laten werken en geheel passief eronder verkeeren kan, óf ook wel positief met haar medewerken kan 8).

Onder invloed van dit bedekte of opene synergisme kreeg de ordo salutis, toen zij later uitgebreid en, zooals bij Hollaz, met verwijzing naar Hd. 26 :17, 18 in de loei over de gratia vocans, illuminans, convertens, regenerans, justificans, renovans en glorificans behandeld werd, bij de Lutherschen deze gedaante: Christenkinderen worden, wijl zij nog niet kunnen weerstaan, in den doop wedergeboren en ontvangen de gave des geloofs; andoren worden op later leeftijd eerst geroepen met eene vocatio sufficiens, die voor allen gelijk is en allen voorziet van die verlichting in het verstand en van die kracht in den wil, welke hen in staat stelt, om de werking van Gods genade niet te wederstaan; in geval zij niet wederstaan, worden zij door de prediking der wet tot contritio (poenitentia, conversio in enger zin) gebracht en voorts wedergeboren en begiftigd met het geloof, dat eene vrucht der wedergeboorte is; door het geloof worden zij dan gerechtvaardigd, krijgen de vergeving der zonden en verder achtereenvolgens de adoptio, de unio mystica, de renovatio en de glorificatio. Maar zoo geregeld ontwikkelt zich het Christelijk leven in de werkelijkheid niet; gelijk de genade in haar aanvang afhangt van den door Gods bovennatuurlijke kracht versterkten wil, zoo blijft het bij den voortgang en tot het einde toe. De genade is altijd resistibel en daarom ook tot in de stervensure toe verliesbaar en ook weer verkrijgbaar, niet eens maar zelfs herhaalde malen. Het zwaartepunt ligt daarom bij de heilsorde in den mensch; al wordt

1) Muller, t. a. p. bl. 555. 692.

2) Muller, t. a. p. bl. 609. 610.

3) Verg., behalve de boven reeds aangehaalde werken van Gerhard, Quenstedt

enz., ook nog Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche bl. 267—369. Luthardt, Komp.

der Dogm. § 57—60.

Sluiten